“The real problem of humanity is the following: we have paleolithic emotions, medieval institutions and god-like technology.” – Edward Osborne Wilson

(R)evolutie

Innovatie

Een functioneel ontwerp is niet alleen voorbehouden aan het leven. Sommige soorten levensvormen zijn in staat om hun omgeving zodanig te bewerken dat het een functioneel ontwerp krijgt waarmee de behoeften van de betreffende soorten worden gediend. Een steen bevestigen aan een stuk hout resulteert bijvoorbeeld in een functioneel ontwerp dat we een ‘hamer’ zouden noemen, en waarmee noten kapot geslagen kunnen worden zonder beschadiging aan de handen te riskeren. De mens is niet de enige soort levensvorm die materialen uit de omgeving toepast om de eigen behoeften te dienen. Het gebruik van objecten als stenen, takken en bladeren zien we, in meer of in minder bewerkte vorm, bij veel soorten terug. Vogels bouwen een nest van takken, mensapen gebruiken grote bladeren om zich tegen de regen te beschermen en de visotter gebruikt een steen om schelpen open te slaan. Dankzij het bewerken van de omgeving, oftewel technologie, kunnen soorten levensvormen de grenzen van hun eigen functioneel ontwerp verbreden teneinde hun behoeften effectiever en efficiënter te dienen.

Bij de meeste soorten levensvormen lijkt het bij het eenvoudig gebruik van bestaand, natuurlijk materiaal te blijven. Slechts enkele bewerken de materialen, terwijl we alleen bij de mens ook ontwikkelingen in de bewerking van materialen terugzien. Alleen mensen lijken dus te innoveren. Dankzij innovatie, oftewel het vermogen om technologie te ontwikkelen, vinden we mensen in alle uithoeken van de aarde terug en heeft hij zelfs al voet op de maan weten te zetten. Chimpansees (en bonobo’s) daarentegen lijken op het randje van innovatie te staan, maar worden inmiddels met uitsterven bedreigd door toedoen van de mens. En dezelfde mens houdt ze in dierentuinen waar ze gevoerd worden en deel uitmaken van een voorplantingsprogramma. Technologie heeft de onderlinge verhoudingen tussen de mens en andere soorten levensvormen dramatisch vergroot.

Om te kunnen innoveren moeten levensvormen allereerst het vermogen bezitten om het gedrag (of een techniek) van een ander te imiteren. Bij het uitblijven van imitatie zou een innovatie immers verloren gaan met de dood van het individu die innoveerde. Als een van de weinige soorten levensvormen, bezitten chimpansees dit vermogen en daarom wordt imitatie weleens ‘na-aperij’ genoemd; blind als we zijn voor het feit dat dit vermogen bij de mens ongeëvenaard is. Naar menselijke standaarden is het repertoire van geïmiteerd gedrag, oftewel de cultuur, van chimpansees echter heel beperkt en bestaan er maar weinig culturele verschillen tussen verschillende chimpanseepopulaties. Imitatie alleen is niet voldoende. Er moet wat te imiteren zijn. Bij mensen ontbrak het gedurende een zeer lange periode in zijn geschiedenis eveneens aan innovatie. Hij maakte eenvoudig gereedschap en beheerste het vuur, maar de ontwikkelingen die daarin plaatsvonden zijn voor een periode van honderdduizenden jaren, naar hedendaagse standaard, zeer beperkt te noemen.

Ongeveer 75.000 jaar geleden ontstond er een kentering in het gedrag van mensen en zien we ontwikkelingen ontstaan in technologie. Het is aannemelijk dat binnen die ene populatie Homo sapiens, die in Oost-Afrika aan een opmars begon, een verandering is ontstaan in het taalvermogen, waarmee het taalvermogen wellicht naar het hedendaagse niveau werd gebracht. Het vermogen van taal kent een langere geschiedenis en is zich waarschijnlijk sterk gaan ontwikkelen vanaf het moment dat niet-verwante mensen met elkaar gingen samenwerken, of in een nog vroeger stadium, bij het bijbrengen van gedrag en technieken door ouders aan hun nakomelingen, waarmee de laatsten leerden om voedsel op de savanne te bemachtigen.

Taal is niet alleen een middel om informatie uit te wisselen in het licht van opvoeding en samenwerking. Taal heeft ook betrekking op de manier waarop het brein informatie verwerkt. Door taal kunnen de hersenen waargenomen informatie categoriseren en verklaren, waardoor we ons onder meer een voorstelling kunnen maken van iets wat nog niet heeft plaatsgevonden, maar wel plaats zou kunnen vinden. ‘Als jullie aan de rand van dat bos gaan staan en ik vanuit de andere kant de dieren jullie kant opjaag, dan kunnen jullie ze vangen.’ Dit scenario zou je natuurlijk ook anders kunnen communiceren, bijvoorbeeld door het scenario met een stok in het zand uit te tekenen, maar de manier waarop het brein informatie verwerkt blijft hetzelfde. Er wordt een scenario bedacht dat nog niet heeft plaatsgevonden. Dankzij het vermogen van taal kunnen we dus nieuwe dingen bedenken of uitproberen. En dat maakt het taalvermogen cruciaal voor innovatie. Zo werd er ongeveer 75.000 jaar geleden een sterk tandem gevormd tussen taal en imitatie. Taal zorgde voor iets ‘nieuws’ en imitatie zorgde ervoor dat het ‘nieuwe’ niet kwijtraakte en er bovendien op voortgeborduurd kon worden. Zowel taal als imitatie evolueerden binnen de sociaal-politieke context waarin de mens evolueerden, maar het waren tevens preadaptaties voor innovatie. Innovatie als bijproduct dus van de (sociale) evolutie van de mens.

Evolutie

Innovatie is in feite de evolutie van technologie. Innovatie vertoont dan ook interessante gelijkenissen met de evolutie van levensvormen. Bij biologische evolutie vormt reproductie de motor in het ontstaan van natuurlijke variatie in het functioneel ontwerp van levensvormen. Door de interactie met de omgeving zullen bepaalde varianten reproductief succesvoller zijn dan andere varianten en dus vanzelf een groter aandeel in de populatie verwerven. Hierdoor kunnen functionele ontwerpen over generaties evolueren en kunnen er ook nieuwe ontwerpen uit bestaande ontwerpen voortkomen.

Bij innovatie zien we iets soortgelijks terug. In het functioneel ontwerp van een bepaalde technologie ontstaan, intentioneel of niet intentioneel, verschillende varianten, waarbij de ene variant succesvoller zal zijn dan een andere variant, omdat de eerste relatief vaker in een populatie wordt geïmiteerd. Deze variant wordt bijvoorbeeld relatief vaker in een winkel aangeschaft. Door dezelfde principes van evolutie, namelijk variatie en selectie, zal technologie over tijd kunnen evolueren en kan er uit een bestaande technologie ook nieuwe technologie voortkomen, zonder daarbij de bestaande technologie per definitie te vervangen.

Door innovatie kan technologie een niveau bereiken, dat één mens onmogelijk zelf op eigen kracht had kunnen ontwikkelen, maar dat hij zich door imitatie wel eigen kan maken. Zoals de natuurkundige Isaac Newton al eens schreef: ‘Als ik verder heb gezien dan anderen komt dat doordat ik op de schouders van reuzen stond.’ Wie in iedere willekeurige technologie duikt zal een lange geschiedenis ontdekken waarin andere technologieën een rol hebben gespeeld, zoals ook de wijze mens een lange geschiedenis van andere soorten levensvormen met zich meedraagt.

De buitenstaander ziet meestal slechts het topje van een ijsberg en schrijft het succes van een technologie toe aan één man of één bedrijf dat in het topje zichtbaar is. Het succes van de multi-touch smartphones en tablets worden weleens toegeschreven aan Steve Jobs en ‘zijn’ Apple. Maar de tablet verscheen bijvoorbeeld al in ‘2001: A Space Odyssey’, een boek geschreven door Arthur. C. Clarke en later verfilmd door Stanley Kubrick in 1968, terwijl de touchscreentechnologie al in hetzelfde decennium werd toegepast en multi-touch 20 jaar later werd ontwikkeld. Een zoektocht naar de geschiedenis achter een succesvolle technologie als de multi-touch smartphone en tablet is niet iets om cynisch over te doen en het succes van Steve Jobs te bagatelliseren. Het kenmerkt juist het collectieve en cumulatieve wezen van innovatie. Maar de wereld heeft nu eenmaal helden nodig en dus schrijven we innovaties liever toe aan individuen. Zelfs wanneer het betreffende individu met zijn, eveneens geïmiteerde uitspraak, ‘‘good artist copy, great artist steal’’, beaamt dat Apple openstaat voor het beste dat mensen hebben voortgebracht. Apple patenteerde overigens ‘zijn’ technologieën wel, waarmee het de schijn tegen heeft dat het met twee maten meet. Van right to copy naar copyright dus.

Wie in de geschiedenis van technologie duikt ziet een andere overeenkomst met biologische evolutie, namelijk dat de richting van de evolutie op voorhand niet of nauwelijks voorspeld kan worden en dat ook hier een doel of meesterplan lijkt te ontbreken. Het ontstaan van de wijze mens was geen kwestie van tijd, maar het resultaat van een samenloop van heel veel omstandigheden. Bij een andere samenloop had de geschiedenis van de mens er volstrekt anders uit kunnen zien en had de mogelijk sterke ontwikkeling van het taalvermogen, en daarmee van innovatie, niet bij Homo sapiens plaatsgevonden, maar bij Homo neanderthalensis. Dan had de laatste soort misschien geprevaleerd en zou hij vandaag de dag over Homo sapiens schrijven als een van de uitgestorven Homo-soorten. n dat is natuurlijk even slikken.

Revolutie

Naast overeenkomsten vertoont innovatie ook verschillen met de evolutie van levensvormen. Zo is uiteraard de aard van de twee leidende principes van evolutie, te weten variatie en selectie, voor beide anders. Bij biologische evolutie vindt de variatie plaats door middel van reproductie en de selectie door tal van omgevingsfactoren. Bij innovatie vindt de variatie plaats door middel van taal, en de selectie door middel van imitatie. Dit verschil heeft consequenties op de snelheid waarmee beide evolueren. Waar de evolutie van soorten levensvormen miljarden jaren nodig heeft gehad om de wijze mens op aarde te laten lopen, heeft innovatie slechts enkele tienduizenden jaren nodig gehad om hem naar de maan te brengen. Technologie ontwikkelt zich dus vele malen sneller dan het leven zelf. Een reden hiervoor is informatie bij innovatie in de hersenen wordt opgeslagen en bij biologische evolutie in DNA. De snelheid van biologische evolutie wordt dus bepaald door de snelheid waarmee informatie in DNA wordt doorgegeven aan ander DNA. De snelheid van reproductie dus. Er is met gemak 2 miljoen jaar aan reproductie voor nodig om een nieuwe soort levensvorm te laten ontstaan. Bij innovatie wordt de snelheid bepaald door de snelheid waarmee informatie in de hersenen door middel van communicatie wordt doorgegeven aan andere hersenen. Zodoende kan een technologie al binnen één en dezelfde generatie evolueren en zich razendsnel in een populatie verspreiden. Dankzij innovatie hebben mensen zich in een zeer korte tijd over de aarde, op het land, onder water, in de lucht en zelfs in de ruimte kunnen verspreiden. Zonder innovatie zou de mensheid nog als jagers en verzamelaars op het land door het leven gaan.

Er is nog een reden waarom innovatie zo veel sneller verloopt dan biologische evolutie. Bij de laatste onstaat variatie op volstrekt random basis. Een drang naar het ultieme functionele ontwerp ontbreekt volledig. Innovatie daarentegen wordt gedreven door de intenties van mensen om tot een bepaald functioneel ontwerp te komen. Neem bijvoorbeeld voortbeweging. Ondanks dat het lopen op twee benen een sterk staaltje van engineering is, hebben mensen altijd met veel ontzag gekeken naar soorten die zich door de lucht kunnen voortbewegen. Bij de eerste pogingen van mensen om zelf te kunnen vliegen werd dan ook zoveel mogelijk de techniek van vogels geïmiteerd. De eerste vliegtuigen hadden bijvoorbeeld vleugels die net als een vogel repeterend omhoog en omlaag bewogen. Maar op mythische figuren als Daedalus en Icarus na, is het de mens nooit gelukt om als een vogel door de lucht te vliegen. Pas nadat het fladderen met vleugels werd opgegeven, de vleugels werden gefixeerd en een propeller werd gebruikt voor de voortstuwing, kon de mens dan eindelijk het luchtruim verkennen. Mensen werken heel intentioneel aan technologie teneinde de grenzen van zijn eigen functionele ontwerp te verleggen. Dat maakt innovatie dus sneller dan biologische evolutie.

Kunnen mensen met innovatie het lot dan in eigen handen nemen? Zit er een voorspelbaar karakter aan innovatie? De multi-touch smartphone of tablet verscheen immers 50 jaar geleden al eens in een film, terwijl deze pas bij het begin van dit millennium succesvol werd. Daar lijkt, in tegenstelling tot het bestemmingsloos karakter van evolutie, een zekere lotsbestemming van uit te gaan. Alsof het slechts een kwestie van tijd was voordat multi-touch devices het levenslicht zouden zien en door een groot deel van de populatie zou worden afgenomen. Zelfs het jaartal waarin het boek 2001: A Space Odyssey van Arthur C. Clarke naar refereert, lijkt de onvermijdelijkheid ervan alleen maar te doen bevestigen. Maar het boek doet ook andere ‘voorspellingen’ die níet zijn uitgekomen, waaronder de kolonisatie van de maan of de kunstmatige intelligentie van HAL 9000. Toegegeven, aan beide wordt gewerkt, al lijkt Mars daarbij een wat populairdere bestemming te zijn dan de maan. Maar 50 jaar geleden hebben mensen ook al eens voet op de maan gezet en waren er al computers ontwikkeld. En wat is een tijdsbestek van 50 jaar eigenlijk in het licht van de geschiedenis van innovatie? Voor een mens bestrijkt 50 jaar weliswaar een aanzienlijke periode van zijn leven, maar in de geschiedenis van innovatie stelt 50 jaar niet zo veel voor. Had het boek van Arthur C. Clarke bijvoorbeeld ook 500 jaar eerder geschreven kunnen worden? Had Leonardo da Vinci de multi-touch smartphone of tablet al op papier kunnen tekenen, zoals hij ook auto’s en helikopters schetste, ruim voordat deze eeuwen later werden ontwikkeld? Hoe voorspelbaar is het ontstaan van verschillende soorten technologie dus eigenlijk?

Hoe onvermijdelijk was bijvoorbeeld de uitvinding van zoiets groots en bepalends als het wiel? Het is best voor te stellen dat het wiel meerwaarde zou kunnen hebben voor jagers en verzamelaars, maar het wiel is pas 5.500 jaar geleden, dus ná de Neolithische Revolutie, ontwikkeld. Waarom heeft het dan zo lang geduurd voordat een van de grootste technologieën uit de geschiedenis van innovatie het levenslicht zou zien? Allereerst ontleent de mens veel van zijn uitvindingen aan de natuur, zoals de uitvinding van het prikkeldraad duidelijk maakt. Maar het wiel zien we nergens in de natuur terug. Een mestkever die een bal poep rollend voortbeweegt komt misschien nog het dichtste in de buurt. Een wiel is voor de natuur namelijk niet zo voor de hand liggend. Als middel voor voortbeweging werkt een wiel alleen goed op een vlak wegdek en die zijn er in de natuur niet zo veel te vinden. Dan ligt het voor de mens bijvoorbeeld meer voor de hand om een paard te domesticeren en te gebruiken als middel voor transport. De mens reed dan ook 500 jaar vóór het ontstaan van het wiel al paard. Naast het feit dat een min of meer vlak wegdek noodzakelijk is voor wielen, heeft een wiel ook pas echt meerwaarde als het verbonden is aan een as waarmee twee wielen met elkaar kunnen worden verbonden, en dat is een stuk makkelijker gezegd dan gemaakt. Waar de wiel-as technologie is ontstaan is onduidelijk. Mogelijk is de technologie niet ontstaan met het oog op transport, maar om er potten mee te vervaardigen (het pottenbakkerswiel). Toen de wiel-as technologie er eenmaal was, vormde het met het gedomesticeerde paard een zeer sterk economisch en militair tandem dat op de vlaktes van de Euraziatische steppe tot wasdom kwam en een grote rol ging spelen in de wereldgeschiedenis. Het lijkt er dus op dat het wiel helemaal niet zo onvermijdelijk is, maar dat tegen de achtergrond van landbouw, en de daarmee gepaard gaande geboorte van economie, en het domesticeren van dieren zoals het paard, het succes van het wiel voor de hand lag.

Het voorstellingsvermogen van mensen, en de intenties die er uit voortkomen, loopt doorgaans vooruit op innovatie. Dankzij het sterk ontwikkeld taalvermogen reikt het voorstellingsvermogen van mensen ver. Verder dan auto’s, helikopters of tablets, met tijdreizen mogelijk als ultieme verbeelding. Misschien dat ook tijdreizen slechts een kwestie van tijd zal zijn, al hebben we tot op heden nog geen bezoek mogen ontvangen van mensen of andere levensvormen uit de toekomst. De tijdreizigers houden zich όf stil, όf het ziet er vooralsnog niet hoopgevend uit voor de technologie die tijdreizen mogelijk zou moeten maken. Dat we ons een voorstelling van tijdreizen kunnen maken terwijl het technologisch gezien (nog) niet mogelijk is, is eigenlijk niet zo bijzonder. Ons voorstellingsvermogen werkt namelijk metaforisch. We kunnen betekenis en waarde aan waargenomen informatie toekennen op basis van de betekenis en waarde die we reeds aan opgeslagen informatie hebben toegekend. Wie diep genoeg graaft en op zoek gaan naar de betekenis en waarde achter de metaforen, komt uit bij de natuurlijke omgeving waarin we zijn geëvolueerd, en die omgeving bestaat uit ruimte waarin objecten en organismen voorkomen die in beweging zijn of kunnen worden gebracht. ‘Tijd’ maakt geen onderdeel uit van deze omgeving. We kunnen het immers niet direct waarnemen. We leven continu in het heden. Maar we kunnen ons wel een voorstelling maken van ‘tijd’ door het metaforisch uit te drukken in ‘ruimte’. We bewegen ons dus voort in de ‘tijd’ zoals we ons door de ‘ruimte’ voortbewegen. Om ons voor te stellen hoe het zou zijn om terug in de tijd te gaan, is in feite niets anders dan ons voor te stellen hoe wij ons door een ruimte voortbewegen, waarin gisteren achter ons ligt en morgen voor ons ligt.

Van speer naar hark

Tuinieren

Tot ongeveer 12.000 jaar geleden leefden mensen een bestaan als jagers en verzamelaars, waarbij de mens volledig afhankelijk was van wat de natuur hen te bieden had. Om die reden trokken jagers en verzamelaars regelmatig rond om in hun meest basale behoeften te kunnen voorzien. Rond 12.000 jaar geleden trad er een verandering op. Allereerst in de Levant, het gebied dat bestaat uit de huidige landen, Libanon, Israël, de Palestijnse gebieden, Jordanië, Irak en Syrië, en later ook in andere delen van de wereld. De mens ging niet langer meer op zoek naar voedsel, maar begon zelf planten en dieren te houden en te cultiveren. Hij verruilde zijn speer voor een hark. Deze transitie staat bekend als de Neolithische Revolutie.

Het oppakken van een hark lag niet voor de hand. Op kleine schaal lijkt de hark namelijk alleen maar nadelen met zich mee te brengen. Niet alleen moet er meer werk worden verzet, maar de oogst laat ook op zich wachten en kan vanwege vraat of weersomstandigheden tegenvallen. De eerste granen die werden verbouwd hadden bovendien relatief weinig voedingswaarde en brachten een hoop ongedierte en ziektes met zich mee. Waarom heeft de mens zijn bestaan als jagers en verzamelaars dan opgegeven om een meer risicovol bestaan op te bouwen als verbouwer van gewassen en houder van dieren? Veel hedendaagse jagers en verzamelaars zijn zich bewust van het feit dat ook zij gewassen kunnen verbouwen, maar ze zien er eenvoudigweg geen heil in.

Het beeld dat in hoofdstuk 3 van jagers en verzamelaars werd geschetst is gekleurd door hedendaagse samenlevingen jagers en verzamelaars die alleen nog in marginale gebieden voorkomen waar het bedrijven van landbouw niet rendabel is. Deze samenlevingen zullen dus niet representatief zijn voor alle jagers en verzamelaars die vóór de Neolithische Revolutie de aarde bevolkten. In de meer gematigde gebieden van de aarde is het heel aannemelijk dat het bestaan van jagers en verzamelaars op bepaalde aspecten afweek van samenlevingen uit de meer marginale gebieden. In gematigde gebieden als de Levant is het voedselaanbod bijvoorbeeld groter waardoor een meer sedentair bestaan mogelijk zou zijn geweest. In het huidige Libanon, Israël en Syrië, zijn bijvoorbeeld nederzettingen gevonden van 15.000 jaar oud, die wijzen op een bestaan van sedentaire jagers en verzamelaars die waarschijnlijk ook gewassen verbouwden, zij het op heel kleine schaal. De jagers en verzamelaars uit deze zogenaamde Natufische cultuur waren mogelijk de eerste mensen die door middel van experiment, geïnspireerd door voorvallen waarbij kiemen ontsproten uit verzamelde zaden die per ongeluk op de grond waren beland, een eerste stap hebben gezet naar het intentioneel verbouwen van gewassen, zonder daarbij per direct een bestaan als jagers en verzamelaars op te geven. Waarschijnlijk leefde men duizenden jaren lang als ‘jagers, verzamelaars en tuinders’.

Eigen Boontjes Doppen

De productie van voedsel levert vanaf een bepaalde schaal veel meer voedsel op dan met jagen en verzamelen kan worden bereikt. Omdat oogst per definitie op zich laat wachten en door omstandigheden kan tegenvallen, zal meer worden geproduceerd dan misschien noodzakelijk is. Door overproductie kunnen meer mensen worden gevoed dan alleen zij die zich met de productie ervan bezighouden. Dankzij overproductie komen er dus handen vrij voor andere werkzaamheden, zoals de bouw van huizen of van gereedschap, waarmee boeren ondersteund konden worden. Daarmee was het dorp was geboren.

Een voorbeeld van een van de oudste dorpen is Çatalhöyük, dat gelegen is in het huidige Turkije en dat dateert uit een periode tussen 9.000 en 7.700 jaar geleden. Het dorp zou tijdens haar hoogtijdagen naar schatting ongeveer 10.000 inwoners hebben geteld. De huizen in het dorp waren in een honingraatstructuur gebouwd, waarbij de ingang van een huis zich aan de bovenkant bevond en de platte daken van de huizen als straten werden gebruikt. De huizen vertonen wat omvang en inrichting betreft heel veel gelijkenissen, maar in de manier waarop de huizen werden gebouwd vertonen ze weer verschillen. Dit zou kunnen duiden op een samenleving die nog steeds relatief egalitair is, waarbij van echte specialisaties nog geen sprake was. De huizen werden dus niet door mensen gebouwd die zich hierop hadden toegelegd, maar door de uiteindelijke bewoners van het huis zelf. De inwoners van Çatalhöyük leefden deels van landbouw en tarwe, gerst en erwten werden opgeslagen in potten, maar ze verzamelden ook amandelen, pistachenoten en fruit dat werd geoogst van bomen uit de omliggende streek. Voorts zijn er aanwijzingen dat er vee, waaronder schapen en runderen, werden gehouden, maar de jacht bleef als bron van voedsel belangrijk, getuige de afbeeldingen van jacht die in de huizen zijn gevonden.

Het is lastig voor de stellen dat boeren hun oogst niet als hun bezit zagen. Het land wordt immers intensief door hen bewerkt en zij zijn verantwoordelijk voor de resultaten. Evengoed zullen mensen die zich op andere werkzaamheden toelegden, de vruchten van hun arbeid als hun bezit hebben beschouwd. Waar de verantwoordelijkheid voor het bestaan bij jagers en verzamelaars door de groep werd gedeeld, ontstond er door de splitsing van werkzaamheden in neolithische samenlevingen ook een splitsing in de verantwoordelijkheid voor het bestaan. Mensen moesten hun eigen boontjes doppen. De productie van voedsel of van goederen of diensten kwam daarmee los te staan van andere sociale betrekkingen. Hiermee ontstond er handel van producten en diensten, en kwam er een economie op gang dat de motor van de moderne samenleving is geworden. Onder jagers en verzamelaars worden weliswaar spullen als schelpen en tabak verruild tussen groepen, maar dergelijke activiteiten dienen een sociale functie zoals het bekrachtigen van een alliantie of het beslechten van conflicten en niet om daarmee meer spullen te vergaren.

Doorgaans wordt ruilhandel, waarbij de ene persoon graan ruilt voor de eieren van een andere persoon, gezien als eerste vorm van handel. Ruilhandel kan echter alleen plaatsvinden als persoon A zijn product wil ruilen tegen een product van persoon B, die dan op hetzelfde moment een behoefte moet hebben voor het product van persoon A, en ook nog eens een bepaalde hoeveelheid bij zich moet hebben die voor beide partijen gelijkwaardig is. Omdat ruilhandel dermate onpraktisch is heeft het hoogstwaarschijnlijk nooit echt op structurele wijze bestaan.

Het is veel aannemelijker dat handel aanvankelijk sterke gelijkenissen vertoonde met het delen van voedsel of spullen, zoals dit door jagers en verzamelaars wordt gedaan. De inwoners van de eerste dorpen zullen elkaar allemaal hebben gekend, dus waarom zou men direct eieren voor graan moeten ruilen als ‘ik weet wie jij bent en jij weet wie ik ben, en ik weet wie jij kent en jij weet wie ik ken’. Het is dus veel praktischer om bij elkaar in het krijt te staan. Conform het oog-om-oogprincipe dus: ‘Vandaag krab ik op jouw rug, maar in de toekomst verwacht ik wel dat jij ook op mijn rug zult krabben.’

Van Hark naar Machine

Door een andere bril

De meeste technologieën die na de Neolithische Revolutie het levenslicht zagen zijn in een relatief korte periode ontwikkeld en in redelijk ongewijzigde staat voor langere tijd in gebruik geweest. Tot er een andere technologie op het toneel verscheen die efficiënter of effectiever was dan de heersende technologie op dat moment, en deze laatste in de vergetelheid deed belanden. Ongeveer 200 jaar geleden kwam er een verandering in deze gefragmenteerde manier voor technologische ontwikkeling en begon innovatie een enorme vlucht te nemen. Niet alleen schiet vanaf dat moment de ene na de andere innovatie uit de grond en volgen technologieën elkaar in rap tempo op, maar vindt er ook veel meer kruisbestuiving tussen verschillende technologieën plaats en raken technologieën veel minder snel uitontwikkeld. Deze verandering staat bekend als de zogenaamde Industriële Revolutie.

Wie kent bijvoorbeeld de semafoor nog? Een technologie waarmee op grote afstanden met behulp van visuele signalen kan worden gecommuniceerd. Om dit te laten werken werden torens op kilometers afstand van elkaar gebouwd, met daarbovenop houten stellingen waarvan de armen in verschillende standen konden worden gezet. Met behulp van een verrekijker konden vanuit de ene toren de signalen worden waargenomen die vanuit een andere toren werden geseind. Dankzij dit systeem was het bijvoorbeeld mogelijk om binnen 12 minuten een boodschap tussen Parijs en Toulon, een afstand van ongeveer 700 kilometer, te versturen. Het paard, dat op dat moment de conventionele manier was van boodschappen verzenden, kon daar bij lange na niet aan tippen. Ondanks het succes van de semafoor is het systeem door de komst van de elektrische telegraaf maar 100 jaar lang in verschillende Europese landen in gebruik geweest. De faam van de elektrische telegraaf was echter van nog kortere duur vanwege de opmars van de telefoon.

De Industriële Revolutie vond allereerst in Engeland plaats en verspreidde zich van daaruit naar de omringende West-Europese landen en uiteindelijk naar de rest van de wereld. De wortels van de Industriële Revolutie liggen niet alleen in Engeland, maar ook in de West-Europese landen waar oude denkbeelden over de wereld, en in het bijzonder die in relatie tot God, werden bekritiseerd en concurrentie kregen van wetenschappelijke denkbeelden. De Industriële Revolutie is in feite geëvolueerd uit een Wetenschappelijke Revolutie, die zijn oorsprong had in de 16de eeuw, of misschien wel de 14de eeuw, van West-Europa. Het wetenschappelijk werk van personen als Bacon, Copernicus, Galileo, Kepler, Torricelli, Pascal, Boyle, Descartes en Newton resulteerden aanvankelijk niet in technologische ontwikkelingen die voor alledaagse toepassingen konden worden ingezet en waarmee economische vooruitgang kon worden gerealiseerd. In West-Europa werden deze werken op de eerste plaats door de Katholieke Kerk tegengehouden, omdat ze alternatieve verklaringen boden voor verschijnselen die alleen God had kunnen verklaren. En als er al een economisch gewin met een bepaalde technologie kon worden behaald, dan werd dit al snel de kop ingedrukt door allerlei sociale instituten, zoals belastinginners die graag een graantje mee wilden pikken of gildes die hun voortbestaan door nieuwe technologie bedreigd zagen. Innovatie werd in West-Europa dus niet bepaald gestimuleerd. Engeland vormde hierop een uitzondering. Ruim 200 jaar geleden heerste er in Engeland namelijk een ondernemersgeest. Handelaren en wetenschappers vonden elkaar en werden niet tegengewerkt door de staat of de kerk. De kerk week in Engeland in leer ook af van die op het vasteland. Door het huwelijk tussen wetenschap en ondernemerschap, konden technologische ontwikkelingen in Engeland worden vertaald naar economische toepassingen. Pas na het succes van de Engelsen kreeg het tandem van wetenschap en ondernemerschap ook in West-Europa voet aan de grond.

De wetenschap is zo belangrijk geweest voor de Industriële Revolutie, omdat gechargeerd gezegd men vóór 1800 weliswaar wist ‘hoe’ iets kon werken, maar niet ‘waarom’ het zo werkte. Vanaf de Neolithische Revolutie zijn mensen in staat geweest om gewassen te verbouwen en te cultiveren zonder kennis van ecologie of genetica; om bruggen en huizen te bouwen zonder kennis van werktuigbouwkunde; om gereedschap uit ijzer te maken zonder kennis van metallurgie; en om medicijnen toe te passen zonder kennis van microbiologie en geneeskunde. Zonder kennis over het ‘waarom’ zijn technologieën snel uitontwikkeld en vindt er weinig kruisbestuiving tussen ontwikkelingen plaats. De kennis over het ‘waarom’ werd lange tijd ook nog eens beperkt door de grenzen van het functioneel ontwerp van de mens. Met de ontwikkeling van onderzoeks- en observatietechnologieën, zoals de microscoop, de telescoop en de röntgenbuis, hebben we onze zintuiglijke grenzen kunnen verleggen waardoor we onze omgeving ruimer konden observeren. Vanaf het moment dat mensen zich wetenschappelijk met de ‘waarom’-vraag gingen bezighouden, ontstond er een voedingsbodem voor continue innovatie.

Het Antropoceen

De Industriële Revolutie heeft net als de Neolithische Revolutie veel impact gehad op de manier waarop mensen onderling en met hun natuurlijke omgeving samenleefden. Door de Industriële Revolutie steeg het aantal mensen op aarde explosief en konden er nieuwe gebieden op aarde en daarbuiten worden bezocht, van diep in de oceaan tot op de maan en daar voorbij. De Industriële Revolutie heeft een ontwikkeling op gang gezet waar we in feite nog midden in zitten. Waar de Neolithische Revolutie, en aanvankelijk ook de Industriële Revolutie, met name de lichamelijke grenzen van ons eigen functioneel ontwerp hebben verruimd (paarden en machines, bijvoorbeeld, zijn sterker en sneller dan mensen), worden momenteel ook onze cognitieve en communicatieve grenzen in sneltreinvaart verruimd door ontwikkelingen op het gebied van de informatie- en communicatietechnologie.