“You have your way, I have my way. As for the right way, the correct way, and the only way, it does not exist.” – Friedrich Nietzsche

Oog om Oog

Samen Sterk

Soorten verschillen niet alleen van elkaar in hun functioneel ontwerp, maar ook in de manier waarop zij met soortgenoten of met andere soorten levensvormen samenleven. Veel soorten leiden een relatief solitair bestaan en zoeken soortgenoten alleen op wanneer de seksuele instincten hen daartoe aanzetten. Veel andere soorten daarentegen leven onderling op verschillende manieren samen, omdat de voordelen van samenleven zwaarder wegen dan de nadelen ervan. Bij sommige soorten zoeken individuen elkaar op om in een meute op te gaan. Denk bijvoorbeeld aan een school vissen of een kudde gnoes. Hiermee nemen de overlevingskansen voor ieder individu gemiddeld toe, omdat het voor een predator moeilijk wordt om een prooi te pakken. Verschillende soorten levensvormen kunnen ook met elkaar samenleven. Zo leeft de heremietkrab samen met een zeeanemoon die op zijn schelp meereist. Het voordeel voor de heremietkrab is dat hij door de giftige tentakels van de zeeanemoon wordt beschermd tegen predatoren, terwijl de zeeanemoon zich tegoed kan doen aan de etensrestjes van de heremietkrab. En als de schelp moet worden ingeruild voor een grotere schelp, omdat de heremietkrab zelf groter is geworden, dan wordt dezelfde zeeanemoon door de heremietkrab met de verhuizing meegenomen. Vrienden voor het leven dus.

Bij sommige soorten gaat de manier van samenleven nog een stap verder en is er sprake van een samenwerking. Zo vangt de Afrikaanse wilde hond zijn prooi door er langdurig achteraan te rennen. De prooi kan proberen de achtervolger van zich af te schudden door niet aan één stuk rechtdoor te rennen, maar onverwachts bochten te maken waardoor de achtervolger continu moet bijsturen. Maar achter de voorste hond rennen nog tal van andere honden die de bocht korter kunnen afsnijden dan de voorste hond. De prooi, die vaak groter is dan een wilde hond, trekt aan het kortste einde en zal door de honden gezamenlijk worden overmeesterd en naar de grond worden getrokken.

Aan samenwerking zijn typisch ook kosten voor het individu verbonden en de taart wordt bovendien maar zelden in gelijke stukken verdeeld. Omdat samenwerking bijna altijd plaatsvindt onder individuen die aan elkaar verwant zijn, zijn de kosten en ongelijkwaardigheid vanuit evolutionair perspectief maar zeer beperkt. Verwante individuen dragen immers voor een groot deel hetzelfde functioneel ontwerp met zich mee. Daarom kan samenwerking binnen een soort vrij makkelijk evolueren. Het is immers het functioneel ontwerp dat door reproductie wordt overgedragen en niet de drager ervan. De drager gaat immers dood. Als ik mijn zus help met overleven en zij helpt mij, dan maken we beiden meer kans om nakomelingen te produceren die eveneens behulpzaam zullen zijn naar hun broers en zussen. Zijn mijn zus en ik echter minder behulpzaam ingesteld, dan sta ik er in tijden van nood alleen voor en kan ik misschien niet meer de kans krijgen om nakomelingen te produceren die ons egocentrisch ontwerp mee zullen krijgen. Daarmee gaat dus niet alleen het individu dood maar ook het egocentrisch ontwerp. Bij mieren lijkt de behulpzaamheid op het eerste gezicht zelfs te zijn doorgeslagen. De meeste individuen binnen een mierenkolonie geven namelijk hun eigen reproductie volledig op en ondersteunen de reproductie van slecht één of enkele andere individuen binnen de kolonie. Dat mieren tijdens de ‘evolutieles’ niet achter in de klas hebben gezeten, blijkt uit het atypische reproductiesysteem van mieren; de kolonie bestaat voornamelijk uit zussen die voor 75% aan elkaar verwant zijn. Dat is meer dan de typische 50% verwantschap tussen moeder en dochter. De meeste mieren doen hun functioneel ontwerp dus een dienst door niet zelf nakomelingen te reproduceren, maar juist door hun zussen te helpen. Daardoor heeft de enorme opofferingsgezindheid bij mieren, althans gezien vanuit het perspectief van mensen, dus kunnen evolueren.

Onder de miljoenen soorten levensvormen die de aarde bevolken, vindt er bij slechts een handvol soorten ook samenwerking plaats tussen niet-verwante soortgenoten. We zien deze zeldzame vorm van samenwerking bijvoorbeeld terug bij vampiervleermuizen, waarbij een individu dat minder succesvol is geweest in zijn zoektocht naar bloed, bij soortgenoten gaat bedelen voor uitgebraakt bloed van zijn barmhartige soortgenoten. Maar waarom zouden zijn soortgenoten barmhartig zijn door bloed uit te braken voor zijn minder fortuinlijke soortgenoot? Evolutie verloopt immers door reproductie en dus door verwantschap. Hoe kan over vele generaties vampiervleermuizen, ‘barmhartigheid’ dan in het functioneel ontwerp sluipen? Het antwoord luidt dat ‘ik alleen op jouw rug zal krabben, als jij ook op mijn rug zult krabben’. Dat klinkt al een stuk minder barmhartig en eigenlijk heel vanzelfsprekend. Dat komt omdat wij mensen tot het zeer selecte gezelschap behoren dat deze vorm van samenwerking ook bedrijft. Het is het fundament onder onze hedendaagse samenleving dat we aanduiden met de term ‘rechtvaardigheid’. Natuurlijk kunnen individuen die aan elkaar verwant zijn ook op elkaars ruggen krabben, maar noodzakelijk is dit niet. De rug van mijn kinderen blijf ik krabben, ook als zij het vertikken om daarna iets voor mij te doen. Maar als ik op de rug krab van een vreemdeling, die het vervolgens nalaat om ook op mijn rug te krabben, dan kan hij rekenen op een afstraffing van mijn kant. Ook als die afstraffing zich alleen in mijn hoofd afspeelt. De ‘aso’ in kwestie kan vervolgens wel weer bij een ander individu aankloppen met de vraag of hij op zijn rug wil krabben. Dat verklaart meteen waarom samenwerking tussen niet-verwante individuen zo zeldzaam is. De samenwerking is erg vatbaar voor bedrog. Dan kun je je barmhartigheid maar beter bewaren voor de familie.

Cultuur

Ondanks de eenvoudige spelregels van samenwerking op basis van het oog-om-oogprincipe, zien we het vrijwel niet terug onder de vele soorten levensvormen. De eerder genoemde vatbaarheid voor bedrog is één verklaring voor de zeldzaamheid van deze samenwerking, maar daarnaast is er een bepaald vermogen nodig, waar bijna geen enkele andere soort mee is uitgerust: het vermogen om elkaar te imiteren. Oftewel om het gedrag van een ander te observeren en dat vervolgens na te doen. Dit vermogen zit in feite al besloten in het oog-om-oogprincipe. ‘Jij krabt op mijn rug en ik krab op jouw rug.’ En dat is heel bijzonder. Imitatie kan in evolutie namelijk alleen ontstaan als er iets te imiteren valt dat voor het individu waardevoller is, dan wat hij gedurende zijn leven op eigen houtje zou kunnen leren. Het moet gezamenlijk tot stand komen, maar daar is weer imitatie voor nodig. Evolutionair gezien moet er dus een kloof worden overbrugd om imitatie te bevoorrechten.

Bij de mens hangt de evolutie van imitatie waarschijnlijk nauw samen met de langzamere groei van het individu, en daarmee de langere leerperiode waarin nakomelingen de verschillende technieken van het jagen en het verzamelen van voedsel op de savanne eigen moesten maken. Het is aannemelijk dat imitatie zich binnen de familiaire kring, oftewel op basis van verwantschap, zal hebben ontwikkeld. Wellicht is de eerder genoemde kloof niet overbrugd om iets meer waardevols te leren dan wat een nakomeling niet op eigen houtje had kunnen leren, maar imiteerden nakomelingen hun ouders om zich sneller bepaalde technieken eigen te maken waardoor de overlevingskansen toenamen. Omdat de duurzamere banden tussen de ouders en tussen de ouders en kinderen er ook toe leidden dat niet-verwante mensen met elkaar in contact kwamen vanwege hun banden met leden van één en dezelfde familie, zal het een kleine stap zijn geweest voor niet-verwante mensen om ook elkaars gedrag te imiteren.

Daarmee was de basis gelegd voor samenwerking tussen niet-verwante mensen. Het delen van voedsel, dat ongetwijfeld al tussen de ouders en tussen de ouders en kinderen plaatsvond, zou een eerste vorm van samenwerking tussen niet-verwante mensen kunnen zijn geweest. ‘Ik geef jou wat te eten, als jij mij ook wat te eten geeft.’ Het delen van voedsel mag dan niet zo complex zijn als het gecoördineerd op jacht gaan naar een grote prooi, maar het kan al dermate waardevol zijn dat imitatie verder werd bevoorrecht in evolutie.

Dankzij imitatie kon er over vele generaties een repertoire van geïmiteerd gedrag cumuleren in een groep jagers en verzamelaars of netwerk van groepen. Het totaal van geïmiteerd gedrag binnen een groep of netwerk van groepen, is de cultuur van de betreffende groep of netwerk. Bij jagers en verzamelaars wordt de cultuur sterk beïnvloed door de natuurlijke omgeving waarvan zij zo afhankelijk zijn. Het is dus niet zo vreemd dat groepen die in verschillende natuurlijke omgevingen leven, ook van elkaar verschillen in hun cultuur. Door cultuur konden er groepen jagers en verzamelaars ontstaan die in omvang groter waren dan een gemiddelde familie, en waarvan meer dan de helft van de leden niet direct aan elkaar verwant waren. Verwantschap bleef weliswaar belangrijk, maar had niet langer meer een monopoliepositie in het sociale leven van mensen. Door cultuur werden ook complexere vormen van samenwerking mogelijk, zoals de jacht op relatief grote prooien of het beslechten van conflicten met andere groepen jagers en verzamelaars.

All the World´s a Stage

Helden

Ondanks de sterk ontwikkelde sociale vermogens van mensen waarmee samenwerking wordt bevorderd, heeft de samenwerking het doel om het eigenbelang te dienen. Uit medelijden kan ik misschien een tijdje op andermans rug door blijven krabben, maar er komt een moment dat ik het opgeef als een wederdienst uitblijft. Het eigenbelang heeft gedurende de evolutie van imitatie en andere sociale vermogens dan ook niet stilgezeten, maar figuurlijk gesproken naar manieren gezocht om niet ondergesneeuwd te raken onder al het ‘sociaal geweld’. Om méér uit de samenwerking te halen dan er zelf in te moeten investeren. Naast sociale oftewel coöperatieve vermogens zijn er ook tal van competitieve vermogens geëvolueerd die erop toezien dat het eigenbelang binnen de samenwerking wordt gediend.

De mens was ongetwijfeld al met competitieve vermogens uitgerust voordat samenwerking tussen niet-verwante soortgenoten een vlucht begon te nemen. Competitieve vermogens zien we bij alle sociale soorten levensvormen terug, en met de polygame roots van de mens is het aannemelijk dat competitieve vermogens er ook bij hem al vroeg inzaten. Deze vermogens zullen bovenal een agressief karakter hebben gekend, maar met de evolutie van samenwerking tussen niet-verwante individuen, waren deze vermogens niet meer toereikend. De mens kon als bruut wel alle concurrenten de hersenpan in proberen te slaan, maar als een van zijn concurrenten goed bevriend was met een aantal andere concurrenten die samen een pact konden vormen, dan had hij een probleem. De mens die juist in staat was om bijvoorbeeld een pact te vormen teneinde een concurrent uit de weg te ruimen, was dus in het voordeel. Het eigenbelang kon binnen de samenwerking dus worden gediend door competitieve vermogens met een sociaal karakter. Vermogens waarmee de samenwerking werd bevorderd. Iemand die voorop ging in de samenwerking ontving respect, reputatie of status binnen de groep en werd voor zijn daden beloond. Geheel conform het oog-om-oogprincipe. Iemand die veel voedsel naar het kamp bracht, het voedsel goed wist te bereiden, ongewenste gasten moedig te lijf ging, conflicten tussen groepsleden tot een goed einde wist te brengen, kortom, die goed op de ruggen van anderen wist te krabben, ontving het betere stuk vlees, de jongere partner, de mooiere sieraden, en had een zwaardere stem in beslissingen die binnen de groep genomen moesten worden.

Het voordeel van status is dat de drager ervan er continu profijt van heeft, zonder zich continu te moeten bewijzen. Door zo nu en dan eens bovengemiddeld te presteren kan de held zijn status weer voeden en er vervolgens weer een tijd lang op teren. Met status kan iemand méér uit een samenwerking halen dan er zelf in te moeten investeren. Als de held zich wél continu zou moeten bewijzen, dan zou hij daar een dagtaak aan hebben en zou de status zijn waarde verliezen. Eén keer iemand van de verdrinkingsdood redden is al riskant, maar om dit dagelijks te moeten doen is veel riskanter en bovendien blijft er weinig tijd over om de vruchten van het heldendom te plukken. Bij andere soorten zien we dit ook terug. Continu bewijzen wie de sterkste is brengt een groot risico met zich mee en kan zelfs tot een vroegtijdige dood leiden. Om die reden zijn tal van gedragingen en uiterlijke vertoningen geëvolueerd waarmee een individu naar anderen communiceert hoe gezond en sterk hij is. Bij mensen is dit niet anders. Door kleren en sieraden, bijvoorbeeld, communiceren we onze status naar anderen.

Boeven

Status is per definitie relatief. Niet iedereen kan de held zijn. Er is altijd wel iemand die sneller, sterker of slimmer in binnen een groep en zo meer status weet te vergaren dan een ander. Er is altijd wel iemand die een groter stukje taart krijgt dan een ander. Die taart verdwijnt echter ook weleens uit het zicht van de groep en zo bestaan er kansen voor de mindere helden in de groep om ook op andere manieren een extra stuk van de taart te bemachtigen. Om dus méér uit de samenwerking te halen dan er zelf in te moeten investeren. Naast de competitieve vermogens die samenwerking juist bevorderen, zijn er ook competitieve vermogens met een asociaal karakter geëvolueerd, zoals list, bedrog en ook ‘good old’ agressie. Je kunt directeur van een bank zijn en in een dikke auto rondrijden, maar je kunt ook de bank beroven om vervolgens in dezelfde auto rond te rijden. Het is geen toeval dat iedere film naast de ‘good guys’ ook ‘bad guys’ kent. Enigszins paradoxaal bevorderen beiden de samenwerking tussen mensen. De boef moet immers ontmaskerd worden en daar is weer samenwerking voor nodig.

Het boevenpad is aantrekkelijk voor hen die weinig kans zien om het heldendom te bereiken. In onze hedendaagse samenleving zijn het niet geheel toevallig voornamelijk jonge mannen met weinig status binnen de samenleving die deze ondergrondse wegen bewandelen, en zo binnen hun groep status weten te vergaren. Dat betekent niet dat ieder mens in één van deze twee categorieën valt. Ieder mens is naast zijn coöperatieve vermogens, met sociale én asociale competitieve vermogens uitgerust. De bankdirecteur kan een asociale hork zijn, terwijl de bankovervaller de aardigste persoon is die je in je leven hebt ontmoet. Zelfs de engelen onder ons zullen voor (even) het boevenpad kiezen als de situatie daar naar is. We leggen bijvoorbeeld keurig een muntje op het schoteltje van de toiletjuffrouw als ze toekijkt. Maar wanneer ze in geen velden of wegen te bekennen is, houden we het muntje liever op zak. De toiletjuffrouw zou er overigens verstandig aan doen om boven het schoteltje een foto te plaatsen van een persoon die toekijkt. Dit zal bij de meeste mensen (onbewust) het besef doen aanwakkeren dat er in onze samenleving oog om oog wordt gespeeld.

Koninkrijken

Lidmaatschap

Vandaag de dag kan iemand een bedrijf managen dat duizenden mensen telt, maar op het punt staan daar afscheid van te nemen omdat een prestigieuzer bedrijf hem voor een soortgelijke functie heeft benaderd. Dezelfde persoon kan net als vorige week die zaterdag bij de plaatselijke voetbalvereniging plaatsnemen op de reservebank, terwijl hij de avond ervoor nog berustte in de tegenvallende verkiezingsuitslag voor zijn politieke partij, waarvan hij de leden nooit persoonlijk heeft ontmoet. Om het eerdere citaat van Shakespeare aan te vullen: “All the world´s a stage. And all the men and women merely players; they have their exits and their entrances, and one man in his time plays many parts”.

Onze CEO, bankzitter en stemmer heeft zijn sociaal leven te danken aan zijn coöperatieve en competitieve vermogens, oftewel zijn sociaal-politieke vermogens, waarmee evolutie hem heeft uitgerust. Hierdoor kan hij zich in meerdere groepen tegelijkertijd begeven, groepen verlaten en zich bij andere groepen aansluiten, en zal hij in iedere groep een bepaalde status vergaren die niet per definitie in iedere groep hetzelfde zal zijn. Een dergelijke onderhandelbaarheid met betrekking tot lidmaatschap en status is op basis van verwantschap volstrekt ondenkbaar. Je zult immers altijd het kind van je ouders blijven. Niet andersom en ook niet het (biologische) kind van andere ouders.

De grote verscheidenheid aan samenwerkingen die we vandaag de dag kennen, en het vermogen om als mens binnen en tussen deze samenwerkingen te manoeuvreren, is te danken aan het ontstaan van samenwerkingen tussen niet-verwante mensen en de sociaal-politieke vermogens die daaruit zijn geëvolueerd. Met name het vermogen van de mens om het gedrag van andere mensen te imiteren. Het vermogen om zich een cultuur eigen te maken. Door het gedrag te imiteren dat in een bepaalde groep wordt getoond, door figuurlijk en soms letterlijk dezelfde taal te spreken, kunnen mensen in feite met iedere groep een samenwerking aangaan. Ongeacht de omvang van de groep en ongeacht de persoonlijke geschiedenis die zij met de leden van deze groep hebben. En dat is onder levensvormen heel bijzonder.

Cultureel Onbehagen

Ondanks dat de wijze mens al 200.000 jaar rondloopt, of in zijn huidige functioneel ontwerp misschien pas 75.000 jaar, zien we de verscheidenheid in samenwerkingen zoals we die in onze huidige samenleving kennen, niet of nauwelijks terug bij jagers en verzamelaars. Dit is hoofdzakelijk te wijten aan de sterke afhankelijkheid die jagers en verzamelaars met hun natuurlijke omgeving hebben, die beperkingen stelt aan de omvang, vorm en dynamiek van samenwerking. Zelfs als de potentie in pluriformiteit van samenwerking, dankzij de wedloop op sociaal-politieke intelligentie, veel groter is. Vanaf 12.000 jaar geleden vindt er een ommekeer plaats. De mens neemt afscheid van een leven lang kamperen en ruilt zijn speer in voor een hark. Dit staat bekend als de Neolithische Revolutie. Niet langer gaat hij op zoek naar voedsel, maar begint hij zelf voedsel te produceren waardoor de afhankelijkheid met de natuurlijke omgeving afneemt en de potentie in pluriformiteit van samenwerking manifest begint te worden. Met ogenschijnlijk hetzelfde gemak als waarmee hij zich in kleine, nomadische groepen begaf, werkt de mens vanaf de Neolithische Revolutie samen binnen koninkrijken en naties, bestaande uit duizenden, miljoenen en zelfs miljarden leden.

De omvang, vorm en dynamiek van samenlevingen kon na de Neolithische Revolutie dan wel divers zijn geworden, maar de manier waarop mensen met elkaar samenwerken vertoont grote gelijkenissen met die van jagers en verzamelaars. De samenwerking binnen een koninkrijk of natie, bijvoorbeeld, is geen opschaling van de relatief egalitaire en solidaire samenwerking die jagers en verzamelaars kenmerkt, ondanks recente communistische pogingen daartoe. Om de bioloog Edward Osborne Wilson daarover te citeren: ‘‘Great idea, wrong species.’’ Waarmee hij met een knipoog verwijst naar de mierenkolonie, waarbij het communistische gedachtegoed terug te zien is in een groep met miljoenen leden. De samenwerking binnen een groep bestaande uit pakweg 250.000 leden, is in feite een samenwerking die bestaat uit heel veel kleinere samenwerkingen, die de omvang van een groep jagers en verzamelaars benaderen Met 250.000 man tegelijkertijd op een prooi jagen is onbegonnen werk, maar met een man of 12 lukt dat al veel beter. Het is geen toeval dat een voetbalwedstrijd met 11 tegen 11 wordt gespeeld en dat de gemiddelde board of directors uit evenveel man bestaat. Een voetbalteam vertoont nog wel meer overeenkomsten. Zo werkt een team op een relatief egalitaire manier samen en zijn het de betere spelers, de spelers met status, die het spel naar zich toe kunnen trekken. Een aanvoerder wordt weliswaar aangewezen, maar hij is niet degene die de lijnen voor de andere spelers uitzet. Het bedrijfsleven kenmerkt zich daarentegen door aangewezen leiders die wél de manier van samenwerking bepalen en dit bewaken middels contracten en controle. Het is dan ook geen toeval dat werknemers uitkijken naar het weekend, wanneer ze bijvoorbeeld weer tegen een bal kunnen trappen op het voetbalveld. Het bedrijfsleven maakt ons minder mens.