“The human brain has 100 billion neurons, each neuron connected to 10 thousand other neurons. Sitting on your shoulders is the most complicated object in the known universe.” – Michio Kaku

De Som der Delen

Groter en Slimmer

Tijdens de evolutie van het Homo-geslacht, nam het hersenvolume meer toe dan de toename van het lichaamsvolume. Zo was het lichaamsvolume van de voorouder van het Homo-geslacht, Australopithecus, ongeveer de helft van dat van de moderne mens, terwijl het volume van zijn hersenen bleef steken op ongeveer één derde. De verhouding tussen het hersenvolume en het totale lichaamsvolume zou een indicatie zijn voor de intelligentie van een soort. Hoe groter het hersenvolume is ten opzichte van het totale lichaamsvolume, hoe intelligenter de soort wordt verondersteld te zijn. Homo neanderthalensis had weliswaar een groter hersenvolume dan Homo sapiens, maar ‘gelukkig’ voor de laatste was het totale lichaamsvolume van Homo neanderthalensis ook wat groter, al kan het verschil weleens minder groot zijn dan tot voor kort werd verondersteld. Ondanks dat de hersenen vanaf de Neolithische Revolutie iets kleiner zijn geworden, is de verhouding bij geen enkele soort levensvorm zo groot als bij de wijze mens en dus kunnen we, niet geheel onbevooroordeeld, veronderstellen dat de mens de meest intelligente soort onder de soorten is.

De verhouding tussen hersenvolume en lichaamsvolume is echter controversieel. Chimpansees bijvoorbeeld, hebben in verhouding tot het totale lichaamsvolume een kleiner hersenvolume dan kapucijnaapjes, en dat terwijl chimpansees intelligenter worden geacht dan kapucijnaapjes. Een betere indicatie kan mogelijk worden verkregen door niet naar het totale hersenvolume te kijken, maar naar specifieke hersenstructuren en deze af te zetten tegen het totale lichaamsvolume. Een kandidaat hersenstructuur zou de prefrontale cortex zijn, die geassocieerd wordt met het intentioneel manipuleren van informatie, en de temporale kwabben, die geassocieerd worden met het taalvermogen. Beide structuren zijn met name bij de mens in volume toegenomen, waarmee we met deze verhouding dus niet hoeven te vrezen dat we onze troon moeten afstaan aan een andere soort levensvorm.

Rekenmachine

De functie van de hersenen is op hoofdlijnen tweeledig. Enerzijds spelen de hersenen een sturende rol in de werking van het lichaam en anderzijds zien de hersenen erop toe dat de mens zodanig op zijn omgeving anticipeert dat daarmee zijn lichamelijke en sociale behoeften worden gediend. Om niet louter te reageren op zijn omgeving, maar écht te kunnen anticiperen, zullen de hersenen een inschatting moeten maken wat ze van de omgeving kunnen verwachten, op basis van informatie die door de zintuigen wordt doorgegeven. Op basis van die verwachting moet dan passend, oftewel adaptief, gedrag worden geïnitieerd. Veel tijd hebben de hersenen bovendien niet. De vraag of het geritsel in het struikgewas een predator of een prooi is, moet niet leiden tot een nadere inspectie van het geritsel, want dan kan het al te laat zijn. De hersenen moeten dus continu en razendsnel speculeren over de omgeving en daar is heel veel rekenkracht voor nodig.

De hersenen van de mens bestaan uit grofweg 100 miljard hersencellen, waarbij iedere hersencel verbonden is met vele duizenden andere hersencellen. De frequentie waarmee een hersencel met een andere hersencel communiceert varieert tussen de 10 en 1000 keer per seconde. Het aantal mogelijke interacties dat op ieder gegeven moment in de hersenen kan plaatsvinden, is dus gigantisch. Een enkele hersencel mag dan redelijk eenvoudig en voorspelbaar functioneren, maar een netwerk van vele duizenden hersencellen maakt dankzij de parallel-lopende interacties tussen de hersencellen, heel complexe functies mogelijk.

De werking van de interacties tussen hersencellen kan wiskundig worden voorgesteld. Iedere hersencel maakt deel uit van een groot netwerk van hersencellen, waarin hij signalen van andere hersencellen ontvangt en zelf signalen aan hersencellen stuurt. Ieder signaal heeft daarbij een bepaalde sterkte die we voor het gemak kunnen uitdrukken in een schaal tussen 0.0 en 1.0. Daarnaast varieert de verbinding tussen iedere twee hersencellen in sterkte en richting. Dit kunnen we eveneens voor het gemak uitdrukken in een schaal van -1.0 en 1.0, waarbij een negatief gewicht duidt op een remmende werking en een positief gewicht duidt op een stimulerende werking. Op ieder gegeven moment ontvangt een hersencel signalen van een groot aantal hersencellen. Op basis van de sterktes van deze signalen én de sterktes en richting van de verbindingen tussen de hersencellen, berekent de hersencel de sterkte van het signaal dat hij zelf moet versturen naar hersencellen waarmee hij is verbonden. Als hersencel A bijvoorbeeld een signaal ontvangt van hersencellen B, C en D met een sterkte van respectievelijk .70, .75 en .50, en het een verbinding met deze hersencellen heeft van respectievelijk .25, .80 en -.35, dan zal hersencel A zelf een signaal verzenden met sterkte 0,4. Dit is een kwestie van de sterkte te vermenigvuldigen met de sterkte en richting van de verbinding en de uitkomsten vervolgens bij elkaar op te tellen.

De communicatie tussen hersencellen is geen eenrichtingsverkeer. De hersencel zal, direct of indirect, signalen kunnen versturen aan hersencellen waarvan hij zelf ook signalen van ontvangt. Dankzij deze terugkoppeling kan de sterkte en richting van de verbinding tussen hersencellen over tijd veranderen, waardoor het netwerk de informatie anders kan gaan verwerken. Het signaal van hersencel A in het hierboven genoemde voorbeeld is zwak, waardoor de verbinding tussen deze hersencel en de ontvangende hersencellen bijgesteld kan worden. Het netwerk vertoont dan lerend gedrag.

Met vier hersencellen is weliswaar nog niet zoveel adaptief gedrag mogelijk, maar met 100 miljard hersencellen, waarbij iedere hersencel verbonden is met vele duizenden andere hersencellen, die allemaal ook nog eens parallel signalen versturen, ontstaat er een informatie-verwerkende rekenmachine die iedere supercomputer in de wereld tot op heden doet verbleken tot een groentje. Een rekenmachine die bij het lezen van de termen ‘klauwen’, ‘groot’, ‘tanden’, ‘brullen’, ‘Afrika’ en ‘savanne’ nu direct een beeld voor zich ziet van een ‘leeuw’, terwijl bij het horen van gegrom op de Afrikaanse savanne direct andere netwerken worden geactiveerd die het lichaam in een staat van paraatheid brengen, ongeacht waar je op dat moment mee bezig bent. En waar denk je aan bij de termen ‘huisdier’, ‘tanden’, ‘vacht’, ‘staart’ en ‘jagen’? Waarschijnlijk eerder aan een ‘kat’ dan aan een ‘hond’, omdat het netwerk ‘leeuw’ nog niet helemaal is uitgedoofd. Tenzij je op dit moment gezelschap hebt van een hond, waardoor je misschien eerder een beeld van een ‘hond’ voor je zag. Oké, de ‘Googles’ van deze wereld hebben dergelijk krachtvertoon inmiddels behoorlijk ingehaald, maar de hersenen produceren met hetzelfde gemak bijvoorbeeld ook nieuwe technologieën. Waaronder de ‘Googles’ van deze wereld.

Adaptatie door Anticipatie

Instincten

Wanneer je met een blote voet in een punaise trapt, dan trek je het bijbehorende been in zonder dat hier het rekenwerk van een heleboel netwerken in de hersenen aan te pas komt. Zenuwcellen in het lichaam geven informatie aan elkaar door op een soortgelijke wijze als de hersencellen dit doen, waardoor een spier in een been razendsnel kan worden aangespannen nadat de voet met een scherp object wordt doorboord. Bij dorst volstaat een dergelijk eenvoudige reflex niet. Om de dorst te lessen moet naar een middel in de omgeving worden gezocht. En als er dan een kandidaat is gevonden, moet worden beoordeeld of het de dorst weg zal nemen of dat het kan leiden tot misselijkheid. Het is de functie van de hersenen om waargenomen informatie over de natuurlijke en de sociale omgeving te vertalen naar gedrag dat op een zodanige wijze op de omgeving acteert dat daarmee de lichamelijke en sociale behoeften worden gediend.

De hersenen opereren in het vertalen van informatie niet als een volledig onbeschreven blad waar zomaar waargenomen informatie op geschreven en getekend kan worden. Het blad staat namelijk al vol met modellen en instructies waarin beschreven staat hoe de waargenomen informatie moet worden verwerkt. Iedere ouder zal onderkennen dat kinderen niet volledig blind op de wereld komen en door gissen en missen ontdekken hoe de wereld werkt. Zo staat mij een moment bij dat ik de neus van mijn oudste zoon afpakte toen hij een jaar of twee was en deze aan hem liet zien door mijn duim tussen mijn vingers te houden. De verontwaardiging was groot bij het zien van ‘zijn neus’ tussen mijn duimen, totdat hij met zijn handen ging voelen of zijn neus er nog wel op zat. Gelukkig voor hem was dat ook zo, waarna hij enigszins verwonderlijk zijn blik weer richtte op ‘zijn neus’ die ik nog steeds tussen mijn vingers had. Niemand had hem uitgelegd dat een neus niet zomaar afgepakt kan worden of dat mensen elkaar weleens voor de gek willen houden. Een anekdote van de auteur maakt natuurlijk nog geen wetenschap. In de wetenschap is echter een breed scala aan experimenten met heel jonge kinderen uitgevoerd, die overigens bijna allemaal ethisch verantwoord zijn, waaruit blijkt dat kinderen al op zeer jonge leeftijd een bepaald begrip hebben over hoe de wereld functioneert. Kinderen van vier maanden oud tonen bijvoorbeeld langer aandacht, of zijn zelfs verrast, wanneer door trucage twee verschillende objecten op hetzelfde moment dezelfde plaats lijken in te nemen, of wanneer een object uniform gedrag vertoont totdat blijkt dat het object uit twee losse stukken bestaat die niet met elkaar zijn verbonden. Kinderen vanaf 14 maanden helpen zelfs ongevraagd voor hen vreemde mensen met het uitvoeren van een taak, zonder de verwachting dat ze daarvoor iets terug krijgen. En wanneer een knuffelbeer voor de ogen van een kind wordt gehouden en tegen het kind wordt gezegd dat het een beer is, associeert het kind het beeld van de knuffelbeer met het uitgesproken woord ‘beer’ en bijvoorbeeld niet met de arm van de persoon die de knuffelbeer vasthoudt.

De hersenen zijn dus geen passieve verwerkers van waargenomen informatie waarmee gedrag door gissen en missen wordt aangestuurd. Ondanks dat een van de grondleggers van de moderne psychologie, William James, eind 19de eeuw al terecht opmerkte dat we volstrekt blind zijn voor al het gedrag dat door instincten wordt gestuurd, is ook de psychologie decennialang door de opvatting gedomineerd dat de hersenen wel degelijk een onbeschreven blad zijn dat tijdens het leven wordt volgeschreven. Om de grondlegger van deze stroming, John B. Watson, te citeren:

“Give me a dozen healthy infants, well-formed, and my own specified world to bring them up in and I’ll guarantee to take any one at random and train him to become any type of specialist I might select; doctor, lawyer, artist, merchant-chief and, yes, even beggar-man and thief, regardless of his talents, penchants, tendencies, abilities, vocations, and race of his ancestors.”

Niet alleen studies naar kleine kinderen, maar ook studies naar eeneiige tweelingen die apart van elkaar zijn opgegroeid, laten duidelijk een ander beeld zien. De hersenen zijn uitgerust met tal van gespecialiseerde vermogens, of instincten, waarmee waargenomen informatie op een voorgeprogrammeerde manier wordt verwerkt. Het in dit boek benoemde imitatievermogen en taalvermogen zijn hier twee voorbeelden van. Dankzij instincten als deze kon de mens in zijn bestaan als jagers en verzamelaars op de Afrikaanse savanne navigeren, en het gedrag van andere mensen imiteren; de kans inschatten of een prooi onder bepaalde condities zal opduiken bij een rivier, of de intenties van andere mensen uit hun gezichten aflezen. In ieder mens schuilt van nature een ‘wiskundige’, een ‘natuurkundige’, een ‘bioloog’ en een ‘psycholoog’.

Instincten hebben zich over vele duizenden jaren kunnen evolueren, omdat de natuurlijke en sociale omgeving van mensen veel constante overeenkomsten en correlaties vertoont. Dit geldt ook voor de evolutie van instincten bij andere soorten levensvormen. De kat is bijvoorbeeld een natuurlijke vijand voor de rat en om die reden hebben ratten een instinct ontwikkeld om niet alleen katten, maar ook kattenurine te vermijden. Kattenurine wijst immers op de aanwezigheid van een kat. Het correleert. De rat die kattenurine vermeed had minder kans om een kat tegen te komen, waardoor dit instinct kon evolueren. Ratten die het zonder dit instinct moesten doen hadden meer kans om een kat tegen te komen, waardoor deze ratten minder kans hadden om nakomelingen te krijgen en zo vanzelf uit de populatie verdwenen.

Veel aspecten van een omgeving zijn echter ook uniek en tijdelijk van aard, waardoor deze zich veel minder goed laten voorspellen en instincten geen kans maken om te kunnen evolueren. Als je bijvoorbeeld van een rattenplaag wilt afkomen, kun je gebruikmaken van rattengif. Ratten kunnen niet braken en hebben het instinct ontwikkeld om onbekend voedsel in zeer kleine mate te consumeren. Mocht een rat namelijk ziek worden van het onbekende voedsel, dan blijft de schade voor de rat hopelijk binnen de perken omdat het dier er zo weinig van heeft geconsumeerd. Wanneer ratten bijvoorbeeld water drinken waar een nieuw, maar volstrekt onschuldig smaakje aan zit, en de ratten een paar uur later een substantie geïnjecteerd krijgen waar ze wél ziek van worden, zullen ratten later weigeren om water met hetzelfde smaakje te drinken, ondanks dat dit niet de oorzaak was van het ziek-zijn. Ratten herkennen dus een nieuwe correlatie tussen enerzijds het smaakje dat ze hebben geconsumeerd en anderzijds wat de consequentie van het smaakje is. Dat de ratten in deze studie een verkeerde verklaring maken, is minder van belang dan het mogelijke adaptieve voordeel dat in de verklaring schuilt. De instincten van iedere soort levensvorm worden dus aangevuld met het vermogen om nieuwe instincten te maken, die betrekking hebben op de unieke en tijdelijke aspecten van de omgeving waarin een individu moet zien te overleven en te reproduceren.

Toekomst Voorspellen

De functie van de hersenen is het vertalen van waargenomen informatie over de natuurlijke en sociale omgeving, en inmiddels ook de technologische omgeving, naar adaptief gedrag. Naar gedrag dus waarmee de lichamelijke en sociale behoeften van de mens worden gediend. Voor het gemak kan deze vertaling in een viertal opeenvolgende fasen worden voorgesteld. In de eerste fase wordt de waargenomen informatie voorbewerkt, alvorens de informatie in de tweede fase wordt verklaard en gecategoriseerd, waarmee de informatie adaptieve betekenis en waarde krijgt. Een voorbeeld is de rat die een nieuw smaakje verklaart en categoriseert als ‘ziekmakend’. Wanneer de informatie zich niet makkelijk laat categoriseren en verklaren, omdat de informatie dubbelzinnig is of conflicteert met informatie die reeds is opgeslagen, dan wordt de informatie in de derde fase ‘handmatig’ gecategoriseerd en verklaard. Met of zonder inmenging van deze derde fase, wordt de informatie in de vierde fase vertaald naar adaptief gedrag, zoals lopen, slaan, praten, huilen of lachen.

Het instinctief verwerken van informatie gebeurt al in de fase waarin de waargenomen informatie wordt voorbewerkt. In de eerste fase dus. In box 1 werd beschreven hoe vleermuizen gebruikmaken van geluid om zich in een donkere omgeving te kunnen voortbewegen en daar objecten te herkennen. Het visueel waarnemingsapparaat van mensen is eveneens een sterk staaltje van functioneel ontwerp, ondanks het feit dat we, in vergelijking met de productie van geluid door vleermuizen, niet ons eigen licht produceren, maar gebruikmaken van bestaande lichtbronnen als zon, vuur en elektriciteit. Om licht te kunnen waarnemen zijn naast sensoren, in dit geval dus de ogen, ook gespecialiseerde netwerken van hersencellen nodig, die op basis van licht dat vanuit een driedimensionale omgeving reflecteert op een tweedimensionaal vlies in de ogen, weer een driedimensionale omgeving kunnen reconstrueren. Een dergelijke reconstructie vraagt om een heleboel rekenwerk dat ongeveer in een tiende van een seconde plaatsvindt. Dat lijkt natuurlijk razendsnel, maar in een gevecht  met een vijand of in de jacht op een prooi, speelt tijd een cruciale rol in het verschil tussen succes of falen en tussen leven of dood. Om de vijand of een prooi een stap voor te zijn, zijn de hersenen niet bezig om de omgeving zo accuraat mogelijk te reconstrueren, maar trachten de hersenen te voorspellen wat ze zullen gaan zien op basis van wat ze net zagen. De hersenen zijn dus continu bezig met het voorspellen van de toekomst teneinde daarop te kunnen anticiperen met adaptief gedrag.

Wie, wat, waar, wanneer, hoe en waarom?

In de volgende fase van informatieverwerking gaan de hersenen verder met het voorspellen van de toekomst. In deze fase wordt waargenomen informatie door de hersenen verklaard en gecategoriseerd, waardoor de informatie betekenis en waarde krijgt. Wanneer ik bijvoorbeeld tegen het vallen van de avond een man aan de rand van een bos zie staan, die met een grote zak op zijn rug en een ladder in zijn hand naar een huis staart, dan heb ik direct de indruk dat de man een ‘boef’ is. En dat is erg adaptief. Want als ik hem als zodanig categoriseer, dan weet ik al veel meer over de man dan je zou mogen verwachten op basis van een eerste indruk. Door ‘iets’ aan een bepaalde categorie toe te kennen, betrek je alle informatie die met deze categorie wordt geassocieerd op het ‘iets’. Ik hoef dus ook geen tijd te verliezen om de man beter te leren kennen. Wie weet heeft hij wel een mes of een ander wapen bij zich. Door de man als ‘boef’ te categoriseren, kan ik direct op de situatie anticiperen met adaptief gedrag. Ik kan bijvoorbeeld vluchten, de politie bellen, of misschien wel proberen de held uit te hangen door de man te overmeesteren.

In het voorbeeld van de boef, zijn de hersenen ook bezig om informatie te verklaren. De zak op zijn rug, de ladder in zijn hand, zijn blik en het tijdstip, zijn allen ingrediënten voor een verklaring waarmee de man als ‘boef’ wordt gecategoriseerd. Door informatie te verklaren, leggen we vast waarom de dingen werken zoals ze werken, wat de aanleiding is voor een bepaalde gebeurtenis, of wie er verantwoordelijk is voor een bepaalde daad. En ook daar gaat een voorspellende waarde vanuit waarop de hersenen kunnen anticiperen. Als de rat zijn ziek-zijn verklaart door het consumeren van water met het vreemde smaakje, dan weet de rat dat hij direct moet stoppen met drinken zodra hij in de toekomst weer dat smaakje proeft. Net als het categoriseren van informatie, is het verklaren van informatie bij mensen sterk ontwikkeld door het taalvermogen. Door taal kunnen verschillende rollen binnen een grammaticale structuur worden toegekend aan personen, objecten, organismen, en gebeurtenissen. In het voorbeeld van de boef krijgt de ‘boef’ de rol van ‘onderwerp’, ‘steelt’ de rol van ‘gezegde’ en ‘spullen’ de rol van ‘lijdend voorwerp’. Een structuur als ‘de spullen stelen de boef’ is ook mogelijk, maar krijgt daarmee een totaal andere, en in dit geval, vreemde betekenis. Maar ‘steelt de spullen de boef’ heeft echter geen enkele betekenis en zal ook nooit betekenis kunnen krijgen, omdat de grammaticale regels niet goed worden uitgevoerd.

Dankzij het taalvermogen van mensen wordt het categoriseren en verklaren van informatie gekenmerkt door een drietal eigenschappen die de voorspellende functie van de hersenen een ongekende potentie geven. Het categoriseren en verklaren van informatie is namelijk schaalbaar, flexibel en metaforisch. De grammaticale structuur voor het verklaren van informatie, beperkt zich bijvoorbeeld niet tot ‘de boef steelt spullen’, maar kan door het combineren van verschillende structuren in een grotere structuur, resulteren in een verklaring die tot nieuwe betekenissen kan leiden, zoals in de zin ‘tegen het vallen van de avond zie ik een man aan de rand van een bos staan, en die met een grote zak op zijn rug en een ladder in zijn hand naar een huis lijkt te staren’. Een dergelijke schaalbaarheid en flexibiliteit zien we ook terug bij het categoriseren van informatie, waarbij de ene categorie deel kan uitmaken van een andere categorie, maar ook waarbij bepaalde informatie tot meerdere categorieën gerekend kan worden gerekend. Een ‘man’ is een ‘mens’ en een ‘mens’ is een ‘soort’, maar deze ‘man’ is ook een ‘vader’ van zijn kinderen die in de avonduren als ‘boef’ misschien wat probeert bij te verdienen.

De derde en minstens zo belangrijke eigenschap werd in hoofdstuk 7 al aangehaald, namelijk dat we op een metaforische wijze verklaren en categoriseren. De hersenen geven dus betekenis en waarde aan iets, op basis van de betekenis en waarde van iets anders. Neem wederom de zin ‘tegen het vallen van de avond zie ik een man aan de rand van een bos staan’. Zonder de metaforische eigenschap zou de ‘avond’ letterlijk naar beneden vallen en daardoor zijn betekenis verliezen, of in ieder geval een geheel andere betekenis krijgen. En ook deze laatste zin krijgt op een metaforische wijze betekenis. Immers, de zin ‘verliest’ natuurlijk niet letterlijk iets. Sterker nog, de meeste zinnen in dit boek krijgen hun betekenis door deze metaforische eigenschap.

Quick & Dirty

Uiteraard blijft het speculeren over de toekomst. De man in het voorbeeld hierboven kan immers ook de eigenaar van het huis zijn die bekijkt welke takken hij uit de bomen voor zijn huis moet snoeien. Vanuit rationeel of wetenschappelijk perspectief, dus het perspectief waarbij getracht wordt de omgeving zo accuraat en volledig mogelijk te reconstrueren, zou het voor de hersenen verstandiger zijn om meer informatie te verzamelen over de man en over de situatie waarin hij zich bevindt, en vervolgens op basis van kansberekening tot een conclusie over zijn intenties komen. Maar de boef kan dan al op de vlucht zijn geslagen of juist een aanval inzetten naar degene die hem heeft gezien. De hersenen hebben dus geen tijd te verliezen en zien wat ze willen zien. Er mag dan een ‘wiskundige’, een ‘natuurkundige’, een ‘bioloog’ en een ‘psycholoog’ in ieder mens schuilen, maar wel naar adaptieve maatstaven. Niet naar rationele of wetenschappelijke maatstaven.

Omdat de hersenen continu willen anticiperen op de omgeving, verklaren en categoriseren ze bij de minste of geringste informatie er al op los. Neem het volgende voorbeeld:

Wie is volgens jou het meest assertief; Paul of Susan?

Wellicht vermoed je net als de meeste mensen dat Paul het meest assertief is. Paul is nu eenmaal een man en die worden gemiddeld wat assertiever geacht dan vrouwen. Het brein speculeert dus al op basis van de eerste de beste informatie die voorhanden is. Zolang de categorisering of verklaring adaptief is, zal het door de hersenen voor ‘waar’ worden aangenomen. De hersenen hebben zelfs een voorkeur voor weinig informatie, omdat bij meer informatie de kans op incoherentie in de informatie toeneemt. In een studie werd aan participanten gevraagd om voorbeelden op te noemen waarin zij zich assertief gedroegen, waarna hen tevens werd gevraagd hoe assertief zij zichzelf over het algemeen vonden. De helft van de participanten werd gevraagd om zes voorbeelden te geven en de andere helft van de participanten werd gevraagd om twaalf voorbeelden te geven. Omdat het makkelijker is om zes voorbeelden te geven dan twaalf voorbeelden en de kans op coherentie voor de laatste groep daardoor afneemt, beoordeelden de participanten uit de laatste groep zichzelf over het algemeen dan ook als minder assertief. Het omgekeerde gold overigens ook. Participanten die twaalf voorbeelden moesten geven waarin zij juist niet assertief handelden, beoordeelden zichzelf over het algemeen als assertief.

Wanneer de hersenen worden geconfronteerd met veel informatie, dan wordt de meeste informatie door de hersenen zelfs genegeerd en wordt betekenis en waarde toegekend op basis van de ‘beste’ informatie. Dat is informatie die in het verleden, evolutionair of door persoonlijke ervaring, adaptief is gebleken. Neem bijvoorbeeld het maken van een keuze voor een politieke partij. Een keuze waar veel belangen en perspectieven mee gemoeid zijn, maar die we laten afhangen van de vraag waar de partijen staan op het continuüm ‘links – rechts’. Dit continuüm is natuurlijk zo dominant gezien ons evolutionair verleden, waarin we op moesten komen voor ons eigenbelang (‘rechts’) binnen een samenwerking met niet-verwante mensen (‘links’). Als bepaalde partijen dan dicht bij elkaar liggen, maken we instinctief nog een tweede of een derde keuze, bijvoorbeeld op basis van het continuüm ‘conservatief – progressief’ of op basis van de persoonlijke voorkeur voor de partijleider, om vervolgens het kruisje op de verkiezingslijst te zetten.

Het snel speculeren op basis van een beperkte hoeveelheid informatie is niet per definitie inferieur aan het beschikken en analyseren van een karrenvracht aan informatie. Wanneer bijvoorbeeld aan Duitse en Amerikaanse studenten wordt gevraagd welke stad groter is, Detroit of Milwaukee, dan kiezen Duitse studenten vaker het goede antwoord, namelijk Detroit, dan Amerikaanse studenten. Duitse studenten hebben aannemelijk minder informatie over beide steden en baseren hun keuze louter op de naamsbekendheid van de steden, terwijl Amerikaanse studenten veel meer informatie hebben, inclusief informatie die waarschijnlijk helemaal niet relevant is om de vraag te beantwoorden. Maar door op alle informatie te reflecteren wordt de instinctieve reactie gepasseerd die gebaseerd is op naamsbekendheid, terwijl evolutie ons heeft geleerd dat wat bekender is vaak ook groter, beter, ouder of succesvoller zal zijn. Althans, het blijft natuurlijk speculeren.

Alles is Relatief

Omdat de hersenen razendsnel speculeren op basis van iedere informatie die voorhanden is, kan de betekenis en waarde die aan informatie wordt toegekend variëren in de situatie of context waarin de informatie wordt aangeboden. Verschillende situaties bieden immers verschillende bronnen van informatie aan of lichten juist bepaalde bronnen meer uit dan andere bronnen. De context waarin ratten bijvoorbeeld het water met het nieuwe smaakje consumeren, heeft invloed op het gedrag dat de ratten met betrekking tot het smaakje in de toekomst zullen laten zien. Wanneer de context waarin het nieuwe smaakje geconsumeerd wordt eveneens nieuw is voor ratten, zullen ze het niet laten om water met hetzelfde smaakje te consumeren. En op eenzelfde wijze zullen mensen een spel bijvoorbeeld harder spelen als er een zakelijke koffer en een portemonnee op een tafel liggen dan wanneer er een rugzak ligt, of waarom mensen eerder geneigd zijn een voorbijganger te helpen die zijn spullen laat vallen, als ze net daarvoor per toeval een geldstuk hebben gevonden, of waarom mensen minder rommel achterlaten bij de aanwezigheid van de geur van een schoonmaakmiddel, of waarom mensen minder bloed doneren als daar een kleine vergoeding tegenover staat. Zonder vergoeding is het geven van bloed een eervolle daad, maar met vergoeding wordt het een transactie op basis waarvan we ons afvragen of het geven van bloed het geld waard is. De context waarin we leven stuurt ons leven. Dag in, dag uit.

De invloed van enkele informatiebronnen op de mening over iets of iemand, en de enorme variëteit in informatiebronnen die in uiteenlopende contexten aanwezig zijn, zorgt ervoor dat mensen in dezelfde situatie vaak dezelfde keuzes maken en hetzelfde gedrag laten zien, terwijl deze consistentie verloren gaat zodra de situatie anders wordt. In een studie werden basisschoolkinderen in diverse situaties in de verleiding gebracht om te bedriegen of te stelen. Over tijd bleek de consistentie in gedrag hoog te zijn, maar tussen situaties echter een stuk lager. Kinderen die in een onbewaakte ruimte geld op een bureau zagen liggen en dat geld meenamen, deden dit bijvoorbeeld ook op een volgende gelegenheid. Maar dezelfde kinderen pasten bijvoorbeeld niet de scores in een proefwerk aan, ondanks dat ze wel de mogelijkheid daartoe kregen.

Cogito Ergo Sum

Automatische en Reflectieve Hersenen

Diersoorten worden gedreven door hun instincten. Bij mensen zijn de instincten meer naar de achtergrond verdwenen en heeft de ‘ratio’ het overgenomen. Toch schijnt 90% van de hersenactiviteiten zich buiten ons bewustzijn af te spelen. Emotie speelt dus wel degelijk een belangrijke rol in ons leven. Afijn, dit soort teksten zijn losse flodders die met enige regelmaat in de populaire media te horen zijn en die in het licht van het vorige hoofdstuk om opheldering vragen. Daniel Kahneman, een autoriteit in de psychologie, maakt onderscheid tussen twee systemen van de hersenen, die hij Systeem 1 (‘fast thinking’) en Systeem 2 (‘slow thinking’) noemt. In het vorige hoofdstuk werden de hersenen beschreven als een automatische piloot die razendsnel en speculatief betekenis en waarde aan informatie toekennen. Deze beschrijving komt overeen met Kahnemans Systeem 1.

In de evolutie van de mens ontstond er een spanningsveld tussen het samenwerken met niet-verwante mensen en het opkomen van het eigenbelang binnen die samenwerking, waardoor een sociaal-politieke mens werd bevoorrecht. Samenwerking zoals het gezamenlijk jagen op een prooi, vraagt om een gedeelde intentie en om gecoördineerd gedrag tussen de leden van een groep. ‘Als jullie alvast daarnaartoe gaan om de prooien op te wachten, dan gaan wij die kant op en jagen de prooien jullie kant uit.’ Tegelijkertijd zal de wolf in schaapskleren proberen om in die samenwerking voor zijn eigen belangen op te komen. ‘Ik heb te veel last van mijn enkel, dus zouden jullie dit keer de prooien willen opjagen?’ Misschien heeft de jager in kwestie helemaal geen last van zijn enkel, maar is hij van mening dat hij meestal het zwaarste werk tijdens de jacht moet verzetten, zodat hij een smoes verzint om er deze keer onderuit te komen. Zaak dus voor de andere leden in de groep om dergelijk bedrog te ontcijferen, terwijl de bedrieger het ontcijferen juist zo lastig mogelijk moet maken. Communicatie tussen wolven in schaapskleren is daarom erg dubbelzinnig. Dat bemoeilijkt de verwerking van informatie door de ‘automatische hersenen’ enorm. De hersenen zouden er juist goed aan doen om een pas op de plaats te maken teneinde de intenties achter het gedrag te achterhalen. Om zowel samenwerking tussen niet-verwante mensen mogelijk te maken als in die samenwerking toch het eigenbelang te kunnen dienen, werden in de evolutie daarom ook ‘reflectieve hersenen’ bevoorrecht waarmee als het ware een second opinion kan worden verkregen op het besluit van de automatische hersenen. Het systeem dat door Daniel Kahneman Systeem 2 wordt genoemd.

Bewustzijn en Vrije Wil

De werking van de automatische hersenen, waarmee de meeste handelingen in ons dagelijkse leven worden verricht, speelt zich grotendeels buiten ons bewustzijn af. Dankzij een onderbuikgevoel, waaruit een bepaalde voorkeur of afkeer voor iets uitspreekt, worden we ons bewust van de automatische hersenen. Het bewustzijn lijkt zich niet in een specifieke hersenstructuur op te houden, maar kan lokaal in verschillende hersenstructuren voorkomen. Net als een lichtbron die op veel verschillende plaatsen in een donkere machinekamer een heel klein deel kan belichten. Waar de lichtbron precies opdoemt lijkt sterk af te hangen van de automatische piloot die het vliegtuig manoeuvreert op basis van waar het vliegtuig naartoe wil gaan, en van informatie uit de omgeving. Iemand die carrière probeert te maken met wetenschappelijk onderzoek, zal zich meer bewust zijn en reflecteren op wetenschappelijke vraagstukken, dan iemand die zijn kost verdient met het bouwen van huizen. Maar als zij beiden een auto besturen en de bestuurder van de auto die voor hen rijdt vol op de rem trapt, dan zal het licht in de machinekamer bij beiden direct op de noodsituatie schijnen, waarna ze vol op de rem trappen. Met dank aan de automatische hersenen die op zelforganiserende wijze de lichtbron op ieder gegeven moment op de meest relevante of urgente zaken laat schijnen, waarna de reflectieve hersenen de informatie onder de lichtbron eventueel nader kunnen inspecteren. De eerste moet het doen met wat het laatste op zijn bord voorschotelt.

Dit voorbeeld schetst natuurlijk een levensbedreigende situatie, waarbij het goed is voor te stellen dat de automatische piloot het overneemt. Maar de automatische piloot staat niet op standby te wachten tot zich een dergelijke situatie voordoet. Het lijken eerder de reflectieve hersenen te zijn die gaan functioneren zodra een situatie daarom vraagt. De automatische hersenen daarentegen, zijn continu bezig met adaptatie door anticipatie op de waargenomen omgeving. En nog vóór de reflectieve hersenen er licht op kunnen schijnen. De reflectieve hersenen lijken in eerste instantie achter de automatische hersenen aan te hobbelen. Dat druist natuurlijk volledig tegen ons (onderbuik)gevoel in. Het lijkt ook niet helemaal te rijmen met de werking van de reflectieve hersenen, die juist ten doel hebben om de automatische hersenen te kunnen overrulen met knip- en plakwerk. Wie zit er dan werkelijk achter het stuur van het vliegtuig en waar zit ‘ik’ dan in dit vliegtuig? Het zijn twee vragen die mogelijk twee verschillende antwoorden opleveren. Ten eerste lijken de reflectieve hersenen méér te zijn dan de som der delen. Als de eerder genoemde mierenkolonie uit hoofdstuk 10, waarvan het gedrag ontstaat door het kleinschalig gedrag van mieren, maar het gedrag van de kolonie ook het gedrag van de mieren beïnvloedt, worden de reflectieve hersenen beïnvloed door de automatische hersenen, maar beïnvloeden ze op hun beurt ook de automatische hersenen.