“Evolution has no long-term goal. There is no long-distance target, no final perfection to serve as a criterion for selection, although human vanity cherishes the absurd notion that our species is the final goal of evolution.” – Richard Dawkins

Blind Vooruit

Er was eens…

‘First there were some amoebas. Deviant amoebas adapted better to the environment, thus becoming monkeys. Then came Total Quality Management.’ Aldus de theorie van evolutie, ludiek samengevat door de auteur van de bekende Dilbert-strip. Vervolgens voegt hij eraan toe dat hij een aantal stappen heeft overgeslagen, maar dat de evolutietheorie zelf ook wat stappen mist, waar we maar beter niet naar kunnen vragen. Dat de wetenschap wat stappen mist, is niet zo gek als je beseft dat gedurende de 4,6 miljard jaar dat de aarde om de zon cirkelt, er 3,5 miljard jaar sprake is van leven. Kleine eencelligen waren de eerste levensvormen op aarde en het blijft een raadsel hoe deze zijn ontstaan. We zien het immers niet vandaag de dag om ons heen gebeuren. Mogelijk is het een combinatie van vele condities die allen van kracht moeten zijn, om leven uit niet-leven voort te laten komen. Het duurde in ieder geval nog 2,3 miljard jaar voordat levensvormen verschenen die we nu tot planten zouden rekenen. De eerste dieren zullen waarschijnlijk ergens tussen 1 miljard en 500 miljoen jaar geleden zijn verschenen en waren niet veel complexer dan een worm, terwijl de tot de verbeelding sprekende dinosauriërs tussen de 230 en 65 miljoen jaar geleden de aarde bevolkten.

De mens verscheen slechts 2 miljoen jaar geleden op het toneel. De moderne mens zou deze ‘oermens’ overigens wel in zoo’s onderbrengen, omdat hij waarschijnlijk niet in staat was om ’s ochtend klokslag acht uur in de auto te stappen en in een file aan te sluiten. Hij week op bepaalde eigenschappen af van de moderne mens die 200.000 jaar geleden verscheen en zich pas 200 jaar geleden begon af te vragen of zijn afkomst weleens aardser zou kunnen zijn dan voorheen werd gedacht. Althans, een zeer klein deel van de mensheid houdt zich met deze vraag bezig. De meerderheid houdt zich hoofdzakelijk bezig met zijn of haar eigen persoonlijke geschiedenis. Fair enough. Maar dat maakt het begrijpelijk dat we de volledige geschiedenis van het leven op aarde nog lang niet in kaart hebben gebracht en dat we nog heel veel stappen missen. Bovendien is het zeer onwaarschijnlijk dat we in de toekomst alle stappen kunnen invullen, al is het maar vanwege het feit dat er onder de grond slechts een fractie van de nog ontbrekende puzzelstukjes ligt begraven. Overblijfselen zijn namelijk het resultaat van een zogenaamd fossilisatieproces dat alleen plaats kan vinden als er aan heel specifieke condities wordt voldaan. De meeste puzzelstukjes zijn dus niet behouden.

Functioneel Ontwerp

Om het ontstaan van levensvormen op waarde te schatten is een bepaald besef noodzakelijk van wat het leven nu eigenlijk behelst. Dat besef kan worden verkregen door het leven te vergelijken met het niet-leven. Neem bijvoorbeeld een steen. In tegenstelling tot een steen hebben levensvormen als bomen, insecten en mensen een functioneel ontwerp waarmee zij onder meer energie uit de omgeving kunnen halen om zichzelf in leven te houden. Sommige levensvormen maken gebruik van energie die zeer voorradig is en waarvoor ze het bed niet uit hoeven. Zonne-energie, koolstofdioxide, water en mineralen zijn immers rijkelijk voorradig voor een boom. Andere soorten levensvormen, zoals insecten of mensen, halen energie uit andere levensvormen en die zijn nu eenmaal schaarser dan zonne-energie, koolstofdioxide, water en mineralen. Dat stelt interessante uitdagingen aan het functioneel ontwerp van deze levensvormen, omdat zij in staat moeten zijn om zich in hun omgeving voort te bewegen op zoek naar andere levensvormen. Omdat de kans dat een vos toevallig op een muis stuit redelijk klein is, moeten deze levensvormen bovendien hun omgeving kunnen waarnemen en beoordelen wat goed of wat slecht voor hen is. Een levensvorm die zich kan voortbewegen heeft dus sensoren nodig om te kunnen waarnemen, ledematen om beweging mogelijk te maken, en een brein om de sensoren aan de ledematen te verbinden. En hier zien we sterke staaltjes van functioneel ontwerp, waar menig ingenieur van zal smullen.

Naast een functioneel ontwerp kenmerkt het leven zich, enigszins paradoxaal, ook door de dood. Door de dood en ‘gelukkig’ ook door de geboorte van nieuw leven. Ongeacht het functioneel ontwerp waarmee een levensvorm is uitgerust, zal vroeg of laat slijtage optreden. Een auto die slijtage vertoont kun je naar een garage brengen om dit te verhelpen, maar na de zoveelste grote beurt lopen de onderhoudskosten dermate op dat het meer rendabel wordt om een nieuwe auto te kopen. Voor levensvormen lijkt deze eenvoudige rekensom ook op te gaan. Voordat een levensvorm is afgeschreven zal het nieuwe levensvormen produceren, waardoor het leven kan voortbestaan zonder zich te veel om slijtage en de dood te moeten bekommeren. De diverse levensvormen verschillen overigens van elkaar in hoe zij deze rekensom hanteren. Sommige soorten, zoals muizen, lijken zo snel mogelijk naar de reproductie toe te werken en reproduceren een maximum aantal organismen waar ze niet naar omkijken om vervolgens zelf al snel het loodje te leggen. Deze soorten hebben dus weinig moeite met de dood en investeren vooral in nieuw leven. Andere soorten daarentegen, zoals olifanten en ook mensen, hebben meer moeite met de dood en investeren vooral in zichzelf. Ze kennen een langzame groei en krijgen veel minder nakomelingen, waar ze dan wel voor zorgen. Ze stellen de dood dus zo lang mogelijk uit en investeren vooral in het bestaande leven.

Zelforganisatie

De dood biedt niet alleen een rendabele oplossing voor het leven. Het biedt zelfs een noodzakelijke oplossing. De wereld van morgen kan anders zijn dan die van vandaag. Als het leven daarin niet meegaat zal het de dag van morgen misschien niet zien. De dood biedt het leven echter ‘nieuwe ronden, nieuwe kansen’ aan. Een kans om het functioneel ontwerp aan te passen aan de omgeving waarin het bestaat. Dankzij de dood kan het leven dus verder. Ongeveer 200 jaar geleden werd een theorie ontwikkeld waarmee het ontstaan van het functioneel ontwerp en de verscheidenheid aan ontwerpen aan de hand van slechts enkele principes verklaard kon worden, en waarin de dood en de geboorte van leven, oftewel reproductie, centraal staat. De zogenaamde evolutietheorie.

Volgens de evolutietheorie ontstaat de verscheidenheid aan levensvormen door kleine wijzigingen die in het functioneel ontwerp van nakomelingen ontstaan. Nakomelingen nemen weliswaar voor een groot deel het functioneel ontwerp van hun ouders over, maar op een volstrekt blinde wijze ontstaan er tijdens de reproductie ook kleine wijzigingen in het ontwerp. Ook deze nakomelingen krijgen op hun beurt weer nakomelingen die het ontwerp van hun ouders overnemen, inclusief de kleine wijzigingen, maar in hun ontwerp weer nieuwe kleine wijzigingen zullen vertonen. Deze nieuwe wijzigingen kunnen betrekking hebben op ieder deel van het functioneel ontwerp, waaronder ook op het deel dat bij de ouders al een kleine wijziging had ondergaan, en deze vervolgens doen neutraliseren of juist versterken. En zo kunnen kleine wijzigingen die bij een enkele generatie nakomelingen optreden, over vele generaties veel groter worden.

Of dit ook gebeurt en in welke richting deze wijzigingen opgaan, hangt af van de vraag in hoeverre deze wijzigingen bijdragen in de productie van nakomelingen. Een nakomeling die dankzij kleine verschillen in zijn ontwerp bijvoorbeeld meer partners aan zich weet te binden of in staat is om langer uit de klauwen van een predator te blijven, waardoor hij morgen weer kans heeft om zelf nakomelingen te produceren, zal zijn ontwerp, inclusief de verschillen, kunnen overdragen. Een nakomeling die minder fortuinlijk is en zelf geen nakomelingen zal produceren, ziet zijn ontwerp, inclusief de verschillen, stranden. De vraag in hoeverre de verschillen in ontwerp bijdragen aan de productie van nakomelingen hangt dus af van de omgeving. Er hoeft maar een tak op het hoofd van een nakomeling te vallen en zijn kansen op reproductie zijn verkeken. Ook wanneer de verschillen die hij met zich meedroeg, de kansen op reproductie in andere opzichten juist hadden verhoogd. Het ontbreekt evolutie nu eenmaal aan een plan. Het gaat blind vooruit zonder daarbij een bepaald doel na te streven. Reproductie zorgt voor verscheidenheid, terwijl de interactie van deze verscheidenheid met de omgeving de koers van evolutie bepaalt. Dat kan betekenen dat een bepaalde levensvorm van het toneel verdwijnt of misschien juist floreert door het produceren van veel nakomelingen, die op hun beurt ook weer veel nakomelingen produceren.

Het Homo Geslacht

Beide Benen op de Grond

De evolutietheorie biedt niet alleen een verklaring voor de verscheidenheid aan levensvormen op aarde. Hij biedt ook een verklaring voor het ontstaan van spataderen, de overbodige omweg die de urinebuis maakt, het werkloze wormvormige aanhangsel aan de blinde darm, kippenvel op de armen zodra er een koud briesje over waait, de pijnlijke bevallingen van nageslacht, en zelfs de manier waarop we keuzes in het leven maken. Om die reden is de theorie ook 200 jaar na dato nog altijd de dominante theorie binnen de levenswetenschappen (biologie, genetica) en wint hij ook langzaam terrein binnen de sociale wetenschappen (psychologie, sociologie). Ondanks de populariteit van de theorie binnen academische kringen, zet de theorie bij veel mensen ook kwaad bloed, of worden mensen overmand door een gevoel van angst. De mens ontspringt de evolutionaire dans namelijk evenmin. Op basis van overblijfselen die gevonden zijn en die nog steeds worden gevonden, schrijft de theorie van evolutie voor dat het functioneel ontwerp van de moderne mens, oftewel Homo sapiens, ‘de wijze mens’, in een ver verleden anders is geweest tot een punt waarbij we het functioneel ontwerp eigenlijk niet meer als menselijk kunnen beschouwen. In tegenstelling tot wat weleens ludiek in afbeeldingen over de evolutie van de mens wordt gesuggereerd, is de mens niet uit apen geëvolueerd die we vandaag de dag kennen, maar delen we een gemeenschappelijke voorouder met andere menssoorten die al een tijd niet meer levend op aarde voorkomen. Deze menssoorten delen op hun beurt weer een gemeenschappelijke voorouder met de mensapen die het tot op de dag van vandaag hebben volgehouden. Ondanks en dankzij de wijze mens overigens.

De wijze mens is onderdeel van het leven en daarmee van evolutie. Niet eerder dan 7 miljoen jaar geleden is er op het Afrikaanse continent een splitsing gekomen tussen de voorouders van de hedendaagse mensapen en de voorouders van de wijze mens. De soort die zich van deze gezamenlijk voorouder afsplitste en waaruit de wijze mens uiteindelijk is geëvolueerd, leek in vele opzichten nog niet op de wijze mens. Australopithecus, zoals we hem nu noemen, leefde ruwweg tussen de 4 en 1,5 miljoen jaar geleden en had een hersenvolume van ongeveer 450 kubieke centimeter. Dat volume is gelijk aan het hersenvolume van hedendaagse gorilla’s en chimpansees. Op grond van beenderen die in Oost- en Zuid-Afrika zijn gevonden, ontstaat het sterke vermoeden dat hij waarschijnlijk op twee benen liep. Zijn armen en handen waren echter lang, wat er weer op duidt dat hij ook in bomen leefde. Een mogelijke verklaring waarom de mens, in tegenstelling tot vrijwel alle andere levensvormen, op twee benen loopt, zou niet op de grond gezocht moeten worden maar in de bomen. Hedendaagse gibbons en indriachtigen laten in hun bouw en manier van voortbewegen zien, dat ook de voorouder van de moderne mens zich misschien lopend in bomen voortbewoog, waardoor hij zich ook over dunnere takken kon voortbewegen terwijl hij zich met zijn armen en handen kon vasthouden aan andere takken. Dit zou de lange ledematen en de flexibiliteit van de enkel van Australopithecus verklaren. Door een hand vrij te maken zou ook voedsel kunnen worden bemachtigd op moeilijk toegankelijke plekken in bomen. Een alternatieve verklaring luidt dat onze voorouders in moerasachtige gebieden leefden. Naast het leven in bomen zouden zij zich tevens door het water verplaatsen, wat een andere houding en het lopen op twee benen zou bevoorrechten. In beide gevallen geldt dat van het lopen in bomen of door moerassen, naar het lopen op de grond, letterlijk en figuurlijk gesproken niet meer zo´n grote stap was. Temeer omdat er geen penalty’s in energieverbruik tegenover staan. Los van de vraag in hoeverre het gebruik van de handen voor doeleinden anders dan voortbeweging, zelf een rol heeft gespeeld in het lopen op twee benen, zal het lopen op twee benen in ieder geval de handen hebben vrijgemaakt waardoor een preadaptatie ontstond voor bijvoorbeeld het bemachtigen van voedsel met behulp van hulpmiddelen en het sjouwen van voedsel over langere afstanden teneinde het voedsel bijvoorbeeld te delen met partners en kinderen. Dit laatste zal in de evolutie van samenleven geen triviale kwestie zijn geweest.

Overleven op de Savanne

De eerste soort die veel meer weg heeft van de wijze mens en om die reden ook de naam Homo draagt, was Homo habilis. Overblijfselen van Homo habilis vinden we terug in Oost-Afrika en dateren tussen de 2,3 en 1,4 miljoen jaar geleden. Homo habilis was ongeveer even groot als Australopithecus en daarmee een stuk kleiner dan de wijze mens, maar in tegenstelling tot Australopithecus wijkt het gebit van Homo habilis af. Dit zou duiden op een gevarieerder dieet waar ook vlees deel van uitmaakt. Daarnaast vinden we bij Homo habilis ook het eerste gereedschap terug waarmee dieren geslacht konden worden. Het hersenvolume van Homo habilis was ongeveer 680cc. Overblijfselen van een andere soort, Homo erectus, dateren ruwweg tussen 2 miljoen en 100.000 jaar geleden en vinden we terug in geheel Afrika. Homo erectus lijkt in anatomie volledig te zijn aangepast aan het leven op de grond en op de savannes. Homo erectus zou lange afstanden op de savannes hebben kunnen afleggen en zich rennend hebben kunnen voortbewegen, mede omdat hij in staat was lichaamstemperatuur effectief kwijt te raken door zweet en het verlies van lichaamsbeharing. Dit laatste ging gepaard met het ontstaan van een donkere huid als bescherming tegen UV straling. Ook de kleine tenen van mensen ten opzichte van het totale lichaamsvolume, zouden zijn geëvolueerd om lange afstanden rennend af te leggen. Het gebit van Homo erectus en zijn kleinere maaginhoud, in combinatie met een grotere totale lichaamsomvang dan Homo habilis, wijst op een voedingsrijker dieet. Homo erectus leefde waarschijnlijk als jagers en verzamelaars en was de eerste Homo-soort die uit Afrika migreerde naar gebieden in Europa en Azië, al zou die eer ook naar Homo habilis kunnen gaan.

Rond 700.000 jaar geleden vinden we overblijfselen terug van een soort die sterke gelijkenissen vertoont met het functioneel ontwerp van de wijze mens. Homo heidelbergensis, zoals we hem nu noemen, joeg op groter wild en produceerde een grotere verscheidenheid aan gebruiksvoorwerpen. Vuur werd waarschijnlijk al door Homo erectus toegepast, maar het gebruik zien we bij Homo heidelbergensis frequenter terug. Vuur bood een bron van licht na zonsondergang en bescherming tegen predatoren en insecten. Met vuur kon ook voedsel worden bereid. De vraag is in hoeverre Homo heidelbergensis in staat was om vuur echt te beheersen. Mogelijk was de eerste omgang met vuur zeer beperkt en maakten mensen hoofdzakelijk gebruik van natuurlijke branden door bijvoorbeeld wild op te vangen dat op de vlucht sloeg voor de brand.

De Wijze Mens

Uit Homo heidelbergensis zijn waarschijnlijk zowel Homo neanderthalensis, beter bekend als de tot de verbeelding sprekende neanderthaler, als Homo sapiens, ‘de wijze mens’, voortgekomen. De wat zwaarder gebouwde Homo neanderthalensis is waarschijnlijk voortgekomen uit Europese populaties Homo heidelbergensis rond 250.000 jaar geleden. Homo sapiens is voortgekomen uit Afrikaanse populaties Homo heidelbergensis rond 200.000 jaar geleden, al zou deze grens weleens verlegd kunnen worden naar een verder verleden. Wat anatomie betreft, waaronder een hersenvolume van 1350cc, zou de eerste Homo sapiens gekleed in moderne kleding op straat waarschijnlijk niet opvallen. Ruim 100.000 jaar geleden trok hij waarschijnlijk voor het eerst uit Afrika, maar zijn verdere sporen van die trektocht vooralsnog niet gevonden. Vanaf 75.000 jaar geleden lijkt één specifieke populatie Homo sapiens vanuit het oosten van Afrika een snelle ontwikkeling te hebben doorgemaakt. Over vele generaties heeft deze populatie zich over de rest van Afrika verspreid en vanaf 60.000 jaar geleden ook de oversteek gemaakt naar andere continenten om uiteindelijk, als eerste menssoort, in Amerika en Australië te belanden. Om daar te komen moet, zonder enig zicht op land, de zee worden overgestoken. Dat vraagt dus om durf en voorstellingsvermogen. Tijdens de geografische expansie van Homo sapiens zijn andere menssoorten, waaronder afstammelingen van Homo erectus in Oost-Azië en Homo neanderthalensis in Europa en West-Azië, waarschijnlijk door Homo sapiens ‘vervangen’. Genocide en ziektes die Homo sapiens met zich meebracht zijn mogelijke verklaringen waarom andere menssoorten niet langer meer op aarde rondlopen. Homo neanderthalensis verdween bijvoorbeeld rond 40.000 jaar geleden vrij abrupt van het toneel. Er zijn overigens sterke aanwijzingen dat er wel geslachtsgemeenschap tussen Homo sapiens en Homo neanderthalensis heeft plaatsgevonden, en hedendaagse niet-Afrikaanse populaties in de wereld wat Neanderthaler-bloed met zich meedragen.

Jagers en Verzamelaars

Een leven lang kamperen

De wijze mens heeft gedurende zijn bestaan op aarde vrijwel louter als zogenaamde ‘jagers en verzamelaars’ geleefd. Rond 12.000 jaar geleden verruilde hij pas zijn speer voor een hark, om in plaats van naar voedsel te zoeken en erop te jagen, zelf voedsel te produceren. Slechts een klein deel van de huidige populatie mensen, zoals de Pirahã in het Amazonegebied of de Aleoeten in het gebied rond de Beringzee, leeft nog een permanent bestaan als jagers en verzamelaars. Dankzij de populaties van permanente jagers en verzamelaars kunnen we ons een voorstelling maken hoe de mens gedurende ten minste 95% van zijn bestaan heeft geleefd. Daarbij dient opgemerkt te worden dat deze populaties niet geheel representatief zijn voor de populaties die tot 12.000 jaar geleden de aarde bevolkten. De hedendaagse jagers en verzamelaars leven namelijk in marginale gebieden waar het oppakken van een hark niet bepaald een vanzelfsprekendheid is. Om die reden zijn deze jagers en verzamelaars in het verleden nooit verdreven door boeren. De jagers en verzamelaars die vóór 12.000 jaar geleden in meer gematigde gebieden leefden, joegen bijvoorbeeld op groot wild en hadden over het algemeen meer voedsel tot hun beschikking. Dit zou een meer sedentair bestaan en een hogere populatiedichtheid in de hand werken, waardoor een andere manier van samenleven mogelijk zou kunnen zijn geweest.

Als we kijken naar hedendaagse jagers en verzamelaars, dan wordt hun bestaanswijze gedicteerd door wat natuur hen te bieden heeft. Met behulp van eenvoudige werktuigen wordt op dieren gejaagd en worden zaden, noten, fruit en knolgewassen verzameld. Een dergelijk bestaan stelt beperkingen aan de manier waarop mensen onderling kunnen samenleven. Omdat de omgeving per eenheid oppervlakte maar een bepaalde hoeveelheid voedsel biedt, leven jagers en verzamelaars in relatief kleine groepen van ongeveer 25 individuen met een spreiding van 10 personen meer of minder, die van het ene gebied naar het andere gebied trekken zodra de voedselbronnen in een gebied (tijdelijk) opraken. Alle volwassenen dragen bij aan de jacht en het verzamelen van voedsel en de opbrengst wordt onderling verdeeld in een (tijdelijk) kamp. Een leider die de beslissingen neemt voor de groep en die zijn wil aan anderen kan opleggen, lijkt volledig te ontbreken. Individuen binnen de groep kunnen weliswaar in status verschillen, waardoor de stem van de ene persoon zwaarder zal wegen dan die van een ander, maar neigingen om ‘de baas te willen spelen’ worden doorgaans in toom gehouden door de andere groepsleden. Het bestaan van jagers en verzamelaars wordt dus gekenmerkt door een nomadisch, kleinschalig bestaan en een relatief egalitaire en solidaire manier van samenleven.

Mannen en Vrouwen

Ondanks het egalitair karakter van samenleven, bestaat er binnen een groep jagers en verzamelaars één duidelijk verschil dat niet toevallig gekoppeld is aan een biologisch verschil. Namelijk dat tussen mannen en vrouwen. Mannen zijn doorgaans verantwoordelijk voor de jacht, terwijl vrouwen verantwoordelijk zijn voor het verzamelen van voedsel en tevens de opvoeding van kinderen op zich nemen. Deze verdeling is verre van arbitrair. Een dier besluipen en er tegelijkertijd op toezien dat kinderen stil onder een boom blijven wachten totdat het dier is gevangen, is een behoorlijk kansloze opgave. Waarom het dan juist vrouwen zijn die meer voor kinderen zorgen en om die reden niet op voedsel jagen maar voedsel verzamelen, is te herleiden naar de verschillende belangen die mannen en vrouwen hebben ten aanzien van reproductie. Een verschil dat weleens in de populaire media wordt aangehaald en waarbij de conclusie luidt dat mannen altijd seks willen, terwijl vrouwen eerst even willen praten. Daar hebben vrouwen overigens alle reden toe. Zij kunnen immers maar een beperkt aantal kinderen baren. Mannen (indirect) veel meer. Voor vrouwen zijn de risico´s van voortplanting dus groter. En dus willen zij de lakens alleen delen met een man die haar gezonde en sterke nakomelingen zal geven. De man zal op zijn beurt behoorlijk agressief naar andere mannen zijn om toegang te krijgen tot deze selectieve vrouwen. Daarmee toont hij bovendien aan dat hij sterk en gezond is. Dat maakt de keuze voor de vrouw dan ook meteen makkelijk, want waarom zou zij twijfelen of hij haar niet ook sterke en gezonde nakomelingen zou kunnen schenken. Niet iedere man zal dus makkelijk aan zijn trekken komen. Het is de sterke man die zich aan meerdere vrouwen bindt.

Bij veel andere soorten levensvormen zien we polygamie ook terug. Maar waar het verhaal bij deze soorten daar ook stopt, gaat het verhaal van de mens verder en neemt het meer monogame vormen aan. Dit hangt waarschijnlijk nauw samen met de eerder genoemde transitie van een bestaan in bomen naar een bestaan op de savanne. Op de savanne was weliswaar voedsel met een hoge voedingswaarde aanwezig, zoals noten en knolgewassen en bepaalde diersoorten, maar deze voedselbronnen lagen niet bepaald voor het oprapen. Het vergt kennis en kunde om deze voedselbronnen te bemachtigen. Het succesvol jagen op prooien bijvoorbeeld, kan zeker 15 tot 20 jaar tijd kosten. Dit heeft waarschijnlijk een langzamere groei bij mensen bevoorrecht, oftewel een langere leerperiode bij de nakomelingen van jagers en verzamelaars, zodat zij zich alle technieken voor het bemachtigen van voedsel eigen konden maken. Breng eens een weekje op de Afrikaanse savanne door zonder astronautenvoedsel en je zult snel inzien dat dit niet bepaald een triviale kwestie is. Als de polygame man dan zoveel mogelijk kinderen wil krijgen, maar na zijn daad de vrouw en haar kroost de rug toekeert, komt alle verantwoordelijkheid van de opvoeding bij de vrouw te liggen en nemen de overlevingskansen van de kinderen op de savanne sterk af. Dat kan niet in het belang van de polygame man zijn. Of beter verwoord in het licht van de evolutietheorie: de polygame man krijgt zo zelf geen polygame opvolgers. De man die daarentegen wel zijn steentje bijdroeg aan de opvoeding van kinderen, had een grotere kans dat zijn kinderen het zouden overleven. Vrouwen begeerden dan ook niet langer een man die andere mannen een kopje kleiner kon maken, maar een man die de groep hielp met het bemachtigen van voedsel en die voorop in de strijd ging tijdens conflicten met andere groepen jagers en verzamelaars. Een man die zijn vrouw en kinderen niet de rug toekeert, maar die bijvoorbeeld na de jacht zijn prooi meeneemt naar het kamp en het deelt met zijn vrouw en kinderen.

Een bont gezelschap

De langere opvoeding van nakomelingen. Een meer monogame man. Het zijn ontwikkelingen die wijzen op het duurzamer worden van de onderlinge banden. Dit is van wezenlijk belang geweest in de verdere evolutie van de mens, omdat de duurzaamheid niet alleen beperkt was tot de eigen familie, maar ook daarbuiten. Immers, de man en de vrouw die samen kinderen kregen waren per definitie niet dicht aan elkaar verwant en voorts kregen hun kinderen op hun beurt partners die eveneens niet (nauw) verwant waren. Op deze wijze ontstaat er een situatie waarbij meerdere mannen die niet aan elkaar verwant zijn, een bepaalde band hebben met één en dezelfde vrouw (‘zij is de vrouw van man A, maar ook de dochter van man B, de schoonzus van man C, et cetera’) en daarmee ook met elkaar. Omdat de vrouw bij ieder van deze mannen een bepaald belang heeft, zijn ook de banden tussen de mannen niet per definitie vijandig en wordt een zekere mate van samenleven zelfs mogelijk. Dit zien we sterk terug bij hedendaagse jagers en verzamelaars, waarbij de leden van een groep doorgaans voor minder dan de helft aan elkaar verwant zijn. Daarnaast worden er op basis van verwantschap wel weer banden onderhouden tussen verschillende groepen jagers en verzamelaars. Jagers en verzamelaars leven dus weliswaar in kleine groepen, maar zijn tevens onderdeel van een groter netwerk. Dat netwerk ontstaat meestal niet langs de weg van de liefde, maar is het product van sociaal-politieke betrekkingen waarbij het wederzijds uithuwelijken van jonge vrouwen doorgaans een sleutelrol speelt.